Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 27 maart 2019 uitspraak gedaan over de taken van de executeur. Was de executele geëindigd?

In geschil is de vraag of de taak van verweerder als executeur is beëindigd.

De verzoekers voeren in hoger beroep – samengevat – het volgende aan.

Allereerst stellen zij dat de rechtbank had moeten oordelen dat de taak van verweerder als executeur is geëindigd.

Het beheer van de nalatenschap is voltooid; er is een boedelbeschrijving opgemaakt en de schulden zijn voldaan.

Tot de nalatenschap behoort enkel nog de (onbetaalde) vordering van de erfgenamen op de B.V. van € 203.153,25.

Het incasseren van vorderingen valt niet onder de beheerstaak van de executeur.

Ook behoort het afwikkelen van de nalatenschap en het verdelen daarvan niet tot de taak van de executeur.

Voor zover het incasseren van een vordering wél een beheerstaak is, stellen de verzoekers dat verweerder weigert deze taak uit te voeren.

De vordering bestaat al ruim vijf jaar. De weigerachtige houding leidt ertoe dat de nalatenschap niet kan worden verdeeld. Als de executeur de vordering niet wil incasseren, dan heeft hij zijn taak volbracht en dient hij zijn beheer te beëindigen door de goederen en de vorderingen ter beschikking te stellen van de erfgenamen op grond van artikel 4:150 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De erfgenamen worden, omdat de executeur de vordering niet incasseert, onevenredig benadeeld en lopen € 40.000,- mis. Volgens de verzoekers heeft verweerder een duidelijk tegenstrijdig belang en misbruikt hij zijn functie om niet te hoeven incasseren. Volgens verweerder, die dus executeur maar ook de bestuurder en grootaandeelhouder van de B.V. – de schuldenaar – is, kan de B.V. de schuld niet betalen vanwege de kans op een faillissement.

De taak van de executeur is echter niet het behartigen van de belangen van de B.V., maar die van de erfgenamen. Hij maakt dan ook misbruik van zijn bevoegdheid. Dit levert volgens de verzoekers een gewichtige reden op om hem uit zijn taak te ontslaan.

Op grond van artikel 4:148 BW dient verweerder als executeur de erfgenamen verder alle gewenste inlichtingen over de uitoefening van zijn taak te verstrekken.

De executeur verstrekt echter geen informatie over de periode vanaf 2013. Volgens de verzoekers is de B.V. onder andere gefinancierd met gelden uit de nalatenschap. Dit is jegens de erfgenamen onrechtmatig.

Verder menen de verzoekers dat de proceskosten tussen partijen niet moeten worden gecompenseerd, zoals de rechtbank wel heeft gedaan. Verweerder maakt misbruik van zijn bevoegdheid, laat de erfgenamen in het ongewisse en blijft weigerachtig om de vordering van de erfgenamen op de vennootschap te incasseren. De onderhavige procedure wordt naar de mening van de verzoekers nodeloos gevoerd. Op het verzaken en misbruiken van de taken als executeur, hoort een sanctie te staan. Naar de mening van de verzoekers dient verweerder dan ook de proceskosten te betalen.

De verweerder betwist de stellingen van de verzoekers als volgt. De vraag of de executele was beëindigd, stond niet ter beoordeling van de rechtbank. Bovendien was het beheer van de nalatenschap niet voltooid, zodat de executele ook materieel niet is geëindigd.

Het incasseren van vorderingen behoort volgens de executeur wel degelijk tot het beheer van de nalatenschap en daarmee tot de taak van de executeur. Het incasseren van de vordering zou hebben geleid tot het faillissement van de debiteur, waardoor de nalatenschap de vordering niet of slechts zeer gedeeltelijk zou hebben ontvangen.

Hij stelt dan ook geen misbruik te hebben gemaakt van zijn bevoegdheid: hij heeft een redelijke afweging van de verschillende belangen gemaakt en is tot een verantwoorde conclusie gekomen dat het incasseren van de vordering op dit moment in niemands belang is. Verweerder betwist dat hij niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan.

Ook verweerder vindt dat de procedure nodeloos is gevoerd, maar dan juist door de verzoekers. De verzoekers hadden naar zijn mening moeten instemmen met een verdeling van de vordering op basis van de economische waarde van deze vordering per de overlijdensdatum van de erflaatster, waarbij rekening werd gehouden met een slechte positie van de vennootschap als schuldenaar, of zij hadden moeten instemmen met het uitstel van de incassomaatregelen tot er vooruitzicht was op integrale betaling.

De procedure om de executeur te ontslaan was dus nodeloos door hen opgestart en voortgezet. Verder tonen de verzoekers niet aan dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om de proceskosten vanwege familieverhoudingen te compenseren.

Taken van de executeur. Voldoen van schulden Is de executele geëindigd?

De rechter oordeelt als volgt

Het hof overweegt ten aanzien van de vraag of de taak van de executeur is beëindigd als volgt.

Evenals de rechtbank, overweegt het hof dat de executeur op grond van artikel 4:144 BW tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen.

Op grond van artikel 4:147 lid 1 BW is de executeur bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor voldoening van de schulden van de nalatenschap.

Uit artikel 4:149 lid 1 sub a BW volgt dat de taak van een executeur eindigt wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat niet alleen de verzoekers menen, maar ook verweerder zelf meent dat alle werkzaamheden in de nalatenschap zijn uitgevoerd, met uitzondering van het incasseren van een vordering van de nalatenschap op de vennootschap de B.V., waarvan hij zelf de bestuurder en meerderheidsaandeelhouder is.

Vaststaat derhalve dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan, zodat het te gelde maken van de goederen van de nalatenschap, oftewel het incasseren van voornoemde vordering, niet meer nodig is voor voldoening van schulden uit de nalatenschap.

Dit betekent dat verweerder als executeur niet (meer) de exclusieve bevoegdheid uit artikel 4:147 lid 1 BW toekomt en het incasseren van de(ze) vordering niet (meer) tot zijn beheerstaak behoort.

De beheerstaak van de executeur strekt er immers toe dat hij – voor zover nodig – slagvaardig goederen van de nalatenschap te gelde kan maken om schulden van de nalatenschap te voldoen.

Dit maakt dat het hof constateert dat verweerder als executeur zijn uit de wet voortvloeiende werkzaamheden als zodanig heeft voltooid en dat de taak van de executeur van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW.

Het hof zal om die reden het primaire verzoek van de verzoekers voor recht te verklaren dat de taak van de executeur is geëindigd, toewijzen.

Aan het subsidiaire verzoek tot ontslag van de executeur komt het hof niet meer toe.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur of over het ontslag van de executeur vanwege gewichtige redenen, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.