De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door de executeur was verjaard.

Het meest vergaande verweer van B ten aanzien van de vorderingen van A in de hoofdzaak is dat zijn executeurschap in de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw is geëindigd en dat de vorderingen van A zijn verjaard.

De rechtbank zal eerst dit verweer beoordelen.

De rechtbank zal daarvoor eerst vaststellen of en zo ja, wanneer B zijn taak als executeur heeft voltooid.

Executele. De taken van de executeur. Zijn de taken van de executeur voltooid? Is de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door de executeur verjaard?

De rechter oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 4:144 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de executeur – voor zover hier van belang – tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.

Wanneer de executeur deze werkzaamheden als zodanig heeft voltooid, eindigt zijn taak (artikel 4:149 lid 1 onder a BW).

Hiervoor is niet vereist dat een boedelbeschrijving is opgesteld of dat rekening en verantwoording is afgelegd.

Ook is niet vereist dat de nalatenschap is verdeeld.

De verdeling van de nalatenschap is geen taak van de executeur, maar van de gezamenlijke erfgenamen.

Niet is gesteld dat er na de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw nog schulden van de nalatenschap bestonden die moesten worden voldaan, zodat vaststaat dat dit gedeelte van de taak van B als executeur op dat moment was voltooid.

Vervolgens dient te worden bezien of de taak van de executeur ten aanzien van het beheer van de nalatenschap nog doorliep.

Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

Hiertoe is het volgende redengevend, waarbij de rechtbank de afzonderlijke bestanddelen van de nalatenschap zal bespreken.

Voldoende is komen vast te staan dat de verdeling van de opbrengst van de woning op of omstreeks 2 februari 1993 heeft plaatsgevonden, nu A heeft erkend dat zij het in de brief van de notaris van die datum genoemde bedrag van fl. 412.637,80 heeft ontvangen en niet is onderbouwd dat er ten aanzien van de woning verder nog iets te verdelen viel.

Het beheer van de nalatenschap door de executeur ten aanzien van de woning is voorafgaand aan de verdeling geëindigd.

Ten aanzien van de inboedelgoederen en liquiditeiten stelt B dat deze omstreeks 1993 tussen de erfgenamen zijn verdeeld.

Ten aanzien van de inboedel merkt hij op dat de erfgenamen hiervan de goederen hebben genomen die zij graag wilden hebben en dat de overige inboedelgoederen zijn geveild in Amsterdam en dat de opbrengst hiervan tussen de erfgenamen is verdeeld.

Deze gang van zaken is door A niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

Voor zover er volgens haar inboedelgoederen dan wel liquiditeiten niet zijn verdeeld, had het op haar weg gelegen om dit te concretiseren. Dit heeft zij niet gedaan. De enkele niet onderbouwde stelling dat wellicht niet alle liquiditeiten verdeeld zijn, is in ieder geval onvoldoende.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank B in zijn stelling dat alle inboedelgoederen en de liquiditeiten omstreeks 1993 door de erfgenamen zijn verdeeld.

Voorafgaand aan de feitelijke verdeling is de taak van de executeur ten aanzien van het beheer van de nalatenschap voor zover het de inboedel en de liquiditeiten betreft, geëindigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de taak van B als executeur ten aanzien van de onder 2.6 genoemde bestanddelen van de nalatenschap eind 1994 is geëindigd.

Dat B in de correspondentie tussen partijen heeft verklaard dat dit niet zo is, maakt dit niet anders.

Niet van belang is of B zelf vindt dat zijn taak is geëindigd, maar of dit op grond van de wet zo is.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van A dat er mogelijk nog andere bestanddelen van de nalatenschap zijn ten aanzien waarvan de taak van B niet is geëindigd, nu deze door B betwiste stelling door A in het geheel niet is geconcretiseerd, laat staan onderbouwd.

Dit had van A wel mogen worden verwacht, zelfs als zij – zoals zij stelt en B betwist – nooit over een boedelbeschrijving heeft beschikt.

Voor zover A met de verwijzing naar andere vermogensbestanddelen doelt op de verkoopopbrengst van het appartement of ander vermogen in de B.V., merkt de rechtbank op dat deze vermogensbestanddelen niet in de nalatenschap vallen.

De vennootschap heeft immers een afgescheiden vermogen, dat (anders dan de door de moeder gehouden aandelen in die vennootschap) niet in de nalatenschap valt.

In beginsel diende B bij het eindigen van zijn taak als executeur rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald (artikel 4:151 en 4:161 lid 1 BW), waarbij hij uiteraard ook de boedelbeschrijving en alle andere door de erfgenamen gewenste inlichtingen en/of bescheiden diende te verstrekken (artikel 4:148 BW).

B stelt dat hij dit heeft gedaan.

Indien en voor zover B dit niet heeft gedaan, zijn de vorderingen van A om B te verplichten dit alsnog te doen verjaard.

Ingevolge artikel 4:151 BW in samenhang beoordeeld met artikel 4:161 lid 4 BW en artikel 1:377 BW verjaart immers elke rechtsvordering op grond van het gevoerde beheer door verloop van vijf jaren na de dag waarop de executele is geëindigd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de executele eind 1994 geëindigd, zodat genoemde termijn van vijf jaren ruimschoots is verstreken, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de verjaring tijdig is gestuit.

De vorderingen zijn derhalve al omstreeks eind 1999 verjaard.

Dit is ruimschoots voor het moment waarop de kinderen van A hebben geprobeerd nadere informatie van B te krijgen, zodat de verjaring niet het gevolg is van hun – naar eigen zeggen – pogingen om de familieverhoudingen niet verder te verstoren door niet al te voortvarend te handelen.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen.

Bij deze stand van zaken heeft A geen belang bij of recht op inzage of afschrift van de administratie van de nalatenschap.

De vraag of de incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv toewijsbaar is nu artikel 4:148 BW aan erfgenamen een specifieke ingang biedt tot het verkrijgen van informatie, kan daarom onbeantwoord blijven.

De incidentele vordering van A zal dan ook worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.