Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 15 oktober 2020 uitspraak gedaan over een verzoek tot het ontslag van de executeur op grond van gewichtige redenen.

Het onderhavig verzoek van een van de erfgenamen, te weten verzoekster, is gegrond op artikel 4:149 lid 2 BW: het ontslag van de executeur op grond van gewichtige redenen.

In hoger beroep is (nog slechts) aan de orde of van dergelijke gewichtige redenen sprake is.

Executele. Ontslag van de executeur op grond van gewichtige redenen. Is wantrouwen een gegronde reden? Toetsing. Maatstaf. Stelplicht en bewijslast.

De rechter overweegt het volgende.

Het hof heeft ten aanzien van de maatstaf ter zake dergelijke ‘gewichtige redenen’ in zijn arresten van 21 november 2006, GHSHE:2006:AZ4506, en 21 september 2010, GHSGR:2010:BN7952.

Van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 4:149 lid 2 BW kan naast de situatie waarin de executeur tekort is geschoten in de uitvoering van zijn taken, zoals bij misbruik van bevoegdheid of verwaarlozing van zijn verplichtingen, mede sprake zijn wanneer van één of meer van de erfgenamen niet kan worden gevergd dat de nalatenschap waarin zij deelgenoot zijn nog langer wordt beheerd door de testamentair benoemde executeur.

Tot de gewichtige redenen die aanleiding kunnen geven voor een ontslag behoort een diepgaand, niet aanstonds weg te nemen wantrouwen van de erfgenamen in de executeurs.

Dit wantrouwen dient gestoeld te worden op concrete en objectieve feiten.

Enkel subjectieve belevenissen zijn ontoereikend voor het verlenen van het ontslag.

Het is aan de verzoeker om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van zodanige gewichtige redenen.

Het hof voegt hieraan toe dat ex nunc wordt geoordeeld.

Er wordt derhalve rekening gehouden met feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

In het bijzonder wordt gelet op de fase waarin de afwikkeling van de nalatenschap zich bevindt ten tijde van deze beschikking.

Het hof stelt vast -hetgeen niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist- dat de nalatenschap inmiddels in de eindfase verkeert.

Volgens de executeur is de nalatenschap zo goed als gereed om te worden verdeeld overeenkomstig de gelijke erfdelen van de erfgenamen.

Gelet op de inhoud en strekking van de door partijen overgelegde stukken alsmede op grond van hetgeen door en namens partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangedragen, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wantrouwen dat verzoekster thans nog jegens de executeur koestert als voldoende objectief gegrond kan worden beschouwd.

Onderzoekingen door de executeur naar de correctheid van schenkingen en leningen hebben inmiddels plaatsgevonden aan de hand van de aanwezige administratie, waarbij geen onjuistheden aan het licht gekomen zijn.

De bekrachtiging door de executeur van (nietige) schenkingen als door belanghebbenden is in voldoende mate verantwoord op basis van het in het verleden door erflaatster en haar voor-overleden echtgenoot gehanteerde schenkingsbeleid.

Evenmin is enige partijdigheid door het hof kunnen worden vastgesteld.

Het hof deelt de visie van de executeur dat de levering van de verkochte woning geen (verboden) verdelingshandeling betreft.

In zoverre is geen sprake van een bewust negeren van de voorlopige voorziening als door de rechtbank bij tussenbeschikking gegeven.

Kort gezegd zijn voor zodanig gewichtige redenen dat ontslag zou moeten volgen door verzoekster onvoldoende concrete gronden en omstandigheden aangedragen en heeft zij hetgeen zij wel heeft aangedragen naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.

Dit geldt te meer nu de gedragingen van de executeur waarop verzoekster het door haar gestelde wantrouwen naar eigen zeggen gebaseerd heeft veelal in het verleden hebben plaatsgevonden en thans, zo er van enige nalatigheid aan de zijde van de executeur al sprake zou zijn geweest, door de executeur naar behoren zijn gecorrigeerd.

Concrete, actuele feiten en omstandigheden waaruit een partijdig dan wel nalatig handelen van de executeur zou kunnen worden herleid zijn naar het oordeel van het hof door verzoekster niet, althans niet in voldoende mate, aangedragen.

Verzoekster verzuimt bovendien concreet aan te geven welke informatie zij thans nog van de executeur wenst te ontvangen.

Het hof is voorts dan ook van oordeel dat op grond hiervan dan niet genoegzaam kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gefundeerde duurzame en diepgaande vertrouwensbreuk tussen verzoekster en de executeur welke thans een goede en voortvarende afwikkeling van de nalatenschap in de weg staat.

Het hof oordeelt hierbij dat er om die reden ook geen sprake is van gewichtige reden als bedoeld in artikel 4:149 lid 2 BW en de rechtbank derhalve terecht en op goede gronden het verzoek van verzoekster tot het ontslag van de executeur in de nalatenschap van haar moeder heeft afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het ontslag van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.