Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een executeur de bevoegdheid had om een woning uit de nalatenschap te gelde te maken.

Partijen houdt verdeeld de vraag of de levering van het landgoed door de executeur aan geïntimeerden, met welke levering de overdracht van het landgoed was beoogd, die overdracht heeft bewerkstelligd.

Met het oog op de beantwoording van de in omschreven vraag zal het hof eerst onderzoeken of, gelet op de door art. 3:89 in verbinding met art. 3:84 BW voor de overdracht van registergoederen gestelde vereisten, appellant, handelend als executeur, overige appellanten als verkopende partij heeft gebonden aan de door haar met geïntimeerden als kopende partij aangegane koopovereenkomst ter zake van het landgoed.

Executele. De bevoegdheden  van de executeur. Tegeldemaking. Mocht de executeur de woning uit de nalatenschap verkopen? Derden. Is de koopovereenkomst rechtsgeldig?

De rechter oordeelt als volgt.

Voorop gesteld moet worden dat appellant als executeur ingevolge het bepaalde in art. 4:145 BW tot taak had om de in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens haar beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan, en met het oog daarop de goederen van de nalatenschap te beheren, nu de erflater in zijn uiterste wil niet anders heeft beschikt.

Gedurende haar beheer was de executeur bevoegd om de erfgenamen bij de vervulling van haar taak in of buiten rechte te vertegenwoordigen.

Eerder bedoelde schulden behoren blijkens de wetsgeschiedenis, in het algemeen gesproken, door de executeur uit de goederen van de nalatenschap te worden voldaan, voor zover die schulden bij de aanvang van zijn beheer opeisbaar zijn of tijdens zijn beheer worden (vgl. Parl. Gesch., Boek 4, p. 845 en p. 848).

Voor hetgeen onder beheer is te verstaan kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 3:170 lid 2, tweede zin, BW (Hoge Raad, 21 november 2008, HR:2008:BD5985) zodat in het kader van het beheer van een nalatenschap door een executeur als een daad van beheer kan worden aangemerkt iedere handeling die voor een normale exploitatie van de goederen van de nalatenschap dienstig is.

Aangezien het voor een derde in het algemeen moeilijk zal zijn om te beoordelen of het beheer een bepaalde handeling vordert, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met het oog op de positie van derden in art. 3:170 BW lid 2, tweede zin, BW gesproken van handelingen die voor een normale exploitatie dienstig kunnen zijn (Parl. Gesch., Boek 3, p. 588), zodat een derde een executeur tot het verrichten van een bepaalde handeling bevoegd kan achten, indien hij redelijkerwijs mag aannemen dat het om een daad van beheer gaat.

In het verlengde van art. 4:145 BW heeft ingevolge het bepaalde art. 4:147 BW een executeur die de in art. 4:145 BW omschreven taak heeft, de bevoegdheid om de goederen van de nalatenschap te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de voldoening van de in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer daaruit behoren te worden voldaan.

Aangezien het voor een derde in het algemeen moeilijk zal zijn om te beoordelen, of de tegeldemaking van een goed van de nalatenschap daarvoor nodig is, ligt het voor het antwoord op de vraag, of een derde een executeur tot de tegeldemaking van een goed van de nalatenschap bevoegd kan achten, voor de hand om daarvoor aansluiting te zoeken bij hetgeen voor het beheer van een nalatenschap door de executeur in het algemeen geldt.

Het hof zal daarom voor de vraag of geïntimeerden de executeur bevoegd konden achten om het landgoed te gelde te maken, beslissend achten of zij redelijkerwijs mochten aannemen dat de tegeldemaking in de hiervoor bedoelde zin nodig was.

Voorts kan voorop gesteld worden dat de noodzaak om goederen van de nalatenschap te gelde te maken te dezen ontbrak, omdat de erfgenamen, naar vaststaat, alsnog hadden afgezien van de opeising van hun moederlijke erfdeel, terwijl niet is gebleken dat de voldoening van andere, in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap die tegeldemaking nodig maakte.

Het hof zal daarom thans de omstandigheden waaronder de koopovereenkomst tot stand is gekomen, onderzoeken.

Geïntimeerden hebben zich ter gelegenheid van de pleidooien desgevraagd uitgelaten over de gang van zaken bij het aangaan van de koopovereenkomst op 23 april 2013 ten kantore van de notaris.

Uit hetgeen door hen is verklaard kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat zij op het kompas van genoemde notaris zijn gevaren, waar het gaat om de bevoegdheid van appellant om het landgoed als executeur te gelde te maken.

De notaris was, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen vaststaat, zodanig op de hoogte van de nalatenschap, dat het er, naar het oordeel van het hof, voor moet worden gehouden dat hij wist dat appellanten het landgoed wensten te behouden en in verband daarmee van opeising van hun moederlijk erfdeel alsnog hadden afgezien.

Voor zover de notaris geacht kan worden bij het aangaan van de koopovereenkomst (mede) ten behoeve van geïntimeerden te zijn opgetreden, is de wetenschap van genoemde notaris ter zake van de nalatenschap naar het oordeel van het hof aan hen toe te rekenen en komt diens optreden in zoverre in de verhouding tot appellanten voor hun rekening.

Voor zover de notaris niet geacht kan worden bij het aangaan van de koopovereenkomst (mede) ten behoeve van geïntimeerden te zijn opgetreden, konden zij naar het oordeel van het hof niet op het kompas van genoemde notaris varen, waar het gaat om de bevoegdheid van appellant om het landgoed als executeur te gelde te maken, maar bestond er alleszins aanleiding voor hen om, gelet op de inhoud van het koopcontract, meer in het bijzonder de preambule, alvorens de koopovereenkomst aan te gaan zelfstandig een nader onderzoek in te stellen, c.q. te doen instellen met betrekking tot de bedoelde bevoegdheid van de executeur.

Zij hebben dit evenwel nagelaten.

Het vorenstaande brengt mee dat geïntimeerden redelijkerwijs niet mochten aannemen dat de tegeldemaking van het landgoed nodig was, en dat zij de executeur niet bevoegd konden achten om de erfgenamen aan de koopovereenkomst te binden.

Dat leidt ertoe dat de omschreven vraag, of de levering van het landgoed door de executeur aan geïntimeerden de met die levering beoogde overdracht heeft bewerkstelligd, ontkennend moet worden beantwoord, nu daarvoor een rechtsgeldige titel ontbreekt.

Het landgoed moet derhalve geacht worden de nalatenschap nimmer te hebben verlaten, zodat appellanten er eigenaar van zijn gebleven.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over onroerend goed in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.