De Rechtbank Limburg heeft op 1 september 2020 uitspraak gedaan over een verzoek tot wijziging van een legaat.
Door de aanvaarding van de nalatenschap is verweerder gebonden aan het testament en dient hij als executeur er in beginsel zorg voor te dragen dat hetgeen op grond van de legaten aan verzoekster verschuldigd is, wordt voldaan of wordt nagekomen.
Door verweerder is een bedrag van € 35.000,- aan verzoekster betaald, alsook tot 1 juni 2019 de maandelijkse bijdrage van € 2.500,-.
Na 1 juni 2019 heeft verweerder de maandelijkse uitkering opgeschort, als drukmiddel om verzoekster te bewegen de roerende zaken die voor hem grote emotionele waarde hebben aan hem af te geven.
Verzoekster stelt dat de opschorting disproportioneel is want deze goederen hebben louter emotionele waarde.
Executele. Afgifte van een legaat. Wijziging van een legaat? Opschortingsrecht?
De rechter oordeelt als volgt.
Uit het schrijven van de advocaat blijkt dat door Lanschot een bankgarantie is gesteld tot een bedrag van € 422.500,- voor verweerder ten behoeve van verzoekster.
Verweerder is daarmee de aan hem in het testament opgelegde verplichting nagekomen.
Voorop staat dat de rechter volgens art. 4:123 lid 1 BW op verzoek van de legataris of van hem die met het legaat belast is, de verbintenissen uit het legaat kan wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke die van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten.
Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht, aldus lid 2 van genoemd artikel.
De rechtbank is van oordeel dat uit het testament duidelijk blijkt dat erflater slechts zolang verzoekster leeft een maandelijkse verplichting in het leven wilde roepen tot het betalen van een maandelijkse toelage tot een maximum van € 500.000,-.
Verweerder heeft onweersproken gesteld dat er inmiddels € 77.500,00 is betaald.
Tot 16 juni 2020 heeft verzoekster verweerder in het ongewisse gelaten over de reden van het niet afgeven van de inboedelgoederen met evident grote emotionele waarde.
Tot dat moment heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook een beroep mogen doen op zijn opschortingsrecht voortvloeiend uit art. 6:52 BW.
Verzoekster had moeten begrijpen dat deze goederen een grote emotionele waarde hebben voor verweerder en had hem omtrent haar bedoelingen met het lot van die goederen niet zolang in het ongewisse mogen laten.
De rechtbank ziet in het gerechtvaardigd beroep op het opschortingsrecht door verweerder dan ook geen aanleiding de voorwaarden van het legaat te wijzigen.
Verweerder is de verplichting om zekerheid te stellen voor de betaling van de maandelijkse termijnen inmiddels nagekomen.
Ook dat kan geen grond meer zijn voor toewijzing van het verzoek van verzoekster.
Haar verzoek zal dan ook worden afgewezen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat vanaf 1 juli 2020 aan verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, naar het voorlopig oordeel van de rechtbank geen gerechtvaardigd beroep op het opschortingsrecht meer toekomt.
Inmiddels is duidelijk dat verzoekster die goederen heeft weggegooid of vernietigd, waardoor het opschortingsrecht niet meer zal leiden tot teruggave van de goederen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een legaat in een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.