Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 28 mei 2019 uitspraak gedaan over de bevoegdheid van een deelgenoot en van de executeur om achterstallige betalingen te innen.

In het tussenarrest heeft het hof samengevat geoordeeld dat appellanten blijkens de inleidende dagvaarding optreden in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap van hun moeder en voor zover één van de vorderingen de nalatenschap van vader betreft, op grond van artikel 3:171 BW.

Het gaat alleen nog om geldvorderingen ten behoeve van de gemeenschap op geïntimeerde als deelgenoot van de gemeenschap.

Voor zover appellanten de vorderingen hebben ingesteld namens de gemeenschap oordeelde het hof dat zij daarin niet bij de pachtkamer kunnen worden ontvangen.

Voor zover appellanten optreden in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap geldt dat de vorderingen waar het in dit geding om gaat door appellanten beheerde goederen van de gemeenschap zijn.

Omdat het hof niet was gebleken dat er schulden zijn van de nalatenschap of lasten in de zin van artikel 4:147 lid 1 BW was van de bevoegdheid van de executeurs om in hun hoedanigheid van executeurs de onderhavige vorderingen te gelde te maken vooralsnog niet gebleken.

De executeurs zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich daarover bij akte uit te laten, wat zij hebben gedaan.

De bevoegdheid van een deelgenoot en van de executeur om achterstallige betalingen te innen.

De rechter oordeelt als volgt.

De executeurs hebben aangevoerd dat de ingestelde vordering een daad van beheer is waartoe zij volledig bevoegd zijn.

Daarmee zien zij eraan voorbij dat de executeur op grond van artikel 4:144 BW enkel tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen.

Het beheer van een nalatenschap kan zich uitstrekken tot de inning van vorderingen mits die inning dienstig is voor de normale exploitatie van een goed (vgl. artikel 3:170 BW).

Dat zich dat hier voordoet, hebben de executeurs echter onvoldoende toegelicht. Het ligt ook niet voor de hand. Het incasseren van de vordering behoort dus niet tot hun beheerstaak.

Op grond van artikel 4:147 lid 1 BW is de executeur dan slechts bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken voor zover dit nodig is voor voldoening van de schulden van de nalatenschap.

Het incasseren van een vordering van de nalatenschap zonder dat er schulden zijn, valt dus niet onder de bevoegdheid van de executeur.

De executeurs hebben niet gesteld dat er schulden zijn, zodat het incasseren van de vordering niet nodig is voor voldoening van schulden uit de nalatenschap.

Dit betekent dat hen als executeurs niet de exclusieve bevoegdheid uit artikel 4:147 lid 1 BW toekomt.

De rechter oordeelt daarom dat zij als executeurs van de nalatenschap niet-ontvankelijk zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de bevoegdheden van een deelgenoot in een gemeenschap, zoals een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.