Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd uitspraak gedaan over een verzoek tot het stellen van een termijn voor de aanvaarding van een nalatenschap.

In het testament van 16 januari 2015 heeft erflater zijn zoons (belanghebbende) en erfgenaam, onder bezwaar van een aantal legaten, tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel.

Verder heeft hij verzoekster tot executeur benoemd.

Op basis van artikel 4:171 BW heeft erflater aan verzoekster de bevoegdheid toegekend om, als vertegenwoordiger van zijn erfgenamen, de nalatenschap te verdelen bij notariële akte.

Daartoe heeft erflater haar tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Verzoekster heeft de benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.

De wettelijke grondslag van het verzoek is artikel 4:192 lid 2 BW.

Dit artikellid luidt als volgt:

Indien een erfgenaam zijn keuze nog niet heeft gedaan, kan de kantonrechter hem daarvoor op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen, die ingaat op de dag nadat de belanghebbende deze beschikking aan de erfgenaam heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister. De kantonrechter kan op verzoek van de erfgenaam de termijn voor de afloop daarvan een of meer malen verlengen; de verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven.

Uit het bovenstaande citaat komt naar voren dat het verzoek kan worden ingediend door een belanghebbende.

Onder belanghebbende moet ook worden verstaan een bewindvoerder of executeur (prof. mr. L.C.A. Verstappen, T&C Erfrecht, art. 192 Boek 4, aant. 3). Verzoekster is dus ontvankelijk in haar verzoek.

De kantonrechter overweegt dat de belanghebbende de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard. Volgens erfgenaam heeft hij van dit feit eerst door lezing van de brief van de rechtbank van 13 april 2018 kennis genomen op 29 april 2018. Dit is niet weersproken door verzoekster.

Op grond van artikel 4:192 lid 4 BW wordt erfgenaam geacht beneficiair te aanvaarden, tenzij erfgenaam alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het tijdstip van die beneficiaire aanvaarding een overeenkomstig het tweede lid van artikel 4:192 BW gestelde of verlengde termijn liep, binnen die termijn.

De erfgenaam heeft de kantonrechter verzocht deze driemaandentermijn voor het uitbrengen van zijn keuze te verlengen.

Een verlenging van die termijn door de kantonrechter is echter niet mogelijk (Asser/Perrick 4, 2017/518; Van Mourik, Erfrecht 2015, XII, 2.4), zodat het verzoek van erfgenaam moet worden afgewezen.

De kantonrechter kan alleen op grond van artikel 4:192 lid 2 BW een door de kantonrechter gestelde termijn voor het uitbrengen van een keuze verlengen.

Die verlengingsmogelijkheid veronderstelt dat de kantonrechter aan de betreffende erfgenaam een termijn heeft gesteld op grond van artikel 4:192 lid 2 BW en dat is hier niet het geval.

Voor het geval het verzoek van erfgenaam gebaseerd zou zijn op artikel 4:192 lid 2 BW, zou het verzoek van erfgenaam dus ook moeten worden afgewezen.

Omdat verlenging van de termijn voor het uitbrengen van een keuze blijkens het hiervoor overwogene niet mogelijk is, wordt erfgenaam op grond van de wet geacht de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden, tenzij hij vóór 29 juli 2018 alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt.

Gelet op de korte termijn die resteert tot 29 juli 2018, is de kantonrechter onvoldoende gebleken welk belang verzoekster (nu nog) heeft bij haar verzoek.

Daarom zal de kantonrechter het verzoek van verzoekster tot het stellen van een termijn aan erfgenaam voor het maken van een keuze ten aanzien van de nalatenschap van erflater, afwijzen.

Omdat de kantonrechter op grond van het bovenstaande reeds tot het oordeel komt dat de verzoeken van verzoekster en erfgenaam moeten worden afgewezen, behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.

Wellicht ten overvloede wijst de kantonrechter erop dat tegen deze beslissing binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. Op grond van artikel 676a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is tegen een beschikking houdende een termijnstelling geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet mogelijk, maar is tegen een afwijzende beschikking wel hoger beroep toegelaten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een executeur of over het zuiver of beneficiair aanvaarden van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.