In deze zaak is eiseres dochter van erflater. Gedaagde is de echtgenote van erflater, zij is tevens executeur. Erflater heeft aan zijn dochter nagelaten een legaat ter grootte van haar erfdeel.

Eiseres heeft infomratie nodig om haar legaat ter groote van haar erfdeel te berekenen. Op grond van artikel 4:78 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een legitimaris die niet erfgenaam is jegens de erfgenamen en de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en verstrekken zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen. Ook erfgenamen hebben recht op alle infomratie die nodig is om het erfdeel te berekenen.

Eiseres is echter legataris. Legatarissen hebben het vergaande recht op informatie in principe niet. Omdat het voor de berekening van het legaat nodig is het saldo van de nalatenschap te kennen, maakt eiseres in dit geval ook als legataris jegens gedaagde als executeur aanspraak op inzage en een afschrift van alle bescheiden die nodig zijn om het legaat te berekenen en dient gedaagde desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen te verschaffen. Voor de berekening van de omvang van het legaat dienen in elk geval verstrekt te worden een overzicht van alle goederen op het moment van overlijden van erflater en een overzicht van alle schulden van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9942).

De informatie die eiseres vraagt heeft echter ten doel om gedaagde rekening en verantwoording te laten afleggen over de periode voor het overlijden van erflater. Volgens vaste jurisprudentie is er alleen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, krachtens welke de één jegens de ander verplicht is om zich te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (o.a. HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911).

Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat tussen erflater en gedaagde een rechtsverhouding was  op grond waarvan gedaagde] het vermogen van erflater beheerde, zodat een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in het onderhavige geval niet kan worden aangenomen. Eiseres heeft gesteld dat sprake is geweest van dubieuze geldopnames en dat zij vermoedt dat gedaagde stelselmatig geld van de rekening van erflater heeft gesluisd naar rekeningen die alleen op haar eigen naam stonden. Zelfs al zou komen vast te staan dat gedaagde geldbedragen van een bankrekening van erflater heeft opgenomen, dan betekent dit nog niet dat dit buiten medeweten van erflater en/of zonder zijn goedvinden is gedaan. Erflater had hiertegen kunnen protesteren maar heeft dat niet gedaan, zodat ervan uitgegaan moet worden dat erflater dat – om hem moverende redenen – niet heeft gewild. Dit geldt ook voor de betalingen die zijn gedaan aan de dochter van gedaagde.