De Rechtbank Gelderland heeft op 22 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er voldoende gewichtige redenen aanwezig waren voor het ontslag van een testamentair bewindvoerder, die tevens executeur was.

Verzoekers verzoeken de kantonrechter de verwerende partij te ontslaan uit haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over het legaat van de onder bewind gestelde uit de nalatenschap van erflaatster.

Erfrecht. Verzoek tot ontslag van een testamentair bewindvoerder. Gewichtige redenen. Belangenverstrengeling. Bewindvoerder is tevens executeur. Wantrouwen.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van hetgeen in het testament is bepaald over het testamentair bewind en hetgeen (aanvullend en/of dwingend) is bepaald in Afdeling 7, Titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in het bijzonder op grond van artikel 4:164 lid 2 BW, dient de kantonrechter te toetsen of sprake is van gewichtige redenen die moeten leiden tot het ontslag van de testamentair bewindvoerder.

Met gewichtige redenen wordt bedoeld de situatie dat de bewindvoerder in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen of dat zij ongeschikt is geworden het bewind te voeren.

Bij beschikking van 12 september 2019 heeft de kantonrechter een eerder verzoek tot ontslag van de testamentair bewindvoerder afgewezen.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de desbetreffende beschikking.

Gelet op het feit dat de termijn voor het instellen van hoger beroep reeds is verstreken, is de beschikking in kracht van gewijsde getreden.

Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat het aan het strafrecht ontleende ‘ne bis in idem’-beginsel in het civiele recht een belemmering vormt om -anders dan via het instellen van een rechtsmiddel (hoger beroep)- tegenover dezelfde wederpartij een andersluidend oordeel te verkrijgen over een verzoek van (nagenoeg) gelijke inhoud en strekking als een eerder verzoek waarover reeds door een rechter van gelijke rang is beslist.

Indien een verzoek in strijd met dit beginsel van een goede procesorde wordt ingesteld, dient zij te worden afgewezen.

Hetgeen in dit geval ertoe leidt dat de kantonrechter alleen verwijten die zijn ontstaan na 12 september 2019 zal beoordelen in het kader van het verzochte ontslag.

Het feit dat de kantonrechter bij beschikking heeft bepaald dat de testamentair bewindvoerder jaarlijks rekening en verantwoording aan de kantonrechter dient af te leggen en waar verzoekers thans tegen ageren, kan in deze procedure, gelet op het overwogene niet worden meegenomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van gewichtige redenen die moeten leiden tot ontslag van de testamentair bewindvoerder.

De kantonrechter stelt van dat geen gewijzigde feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd die zich na 12 september 2019 hebben voorgedaan waardoor de kantonrechter met betrekking tot het afleggen van de rekening en verantwoording een nieuwe beslissing dient te nemen.

Het goedkeuren van de rekening en verantwoording behoort tot de taak en bevoegdheid van de kantonrechter op grond van artikel 4:161 lid 2 BW.

Ten overvloede wijst de kantonrechter op lid 2 van artikel 4:161 dat bepaalt dat goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de kantonrechter de rechthebbende of belanghebbende niet belet om na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is.

De verwijten die aan de verweerster worden gemaakt met betrekking tot de inhoud van de door haar opgestelde rekening en verantwoording zullen niet kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling door de kantonrechter omdat thans geen procedure aanhangig is tegen de door de testamentair bewindvoerder afgelegde rekening en verantwoording aan de kantonrechter en dit verder geen onderdeel betreft van deze procedure.

De testamentair bewindvoerder wordt verder verweten dat sprake is van belangenverstrengeling waardoor zij haar taak niet goed kan uitvoeren omdat zij tevens testamentair executeur van de nalatenschap van erflaatster is.

De kantonrechter stelt vast dat verweerster de hoedanigheid van executeur als van testamentair bewindvoerder reeds voor 12 september 2019 bezat, namelijk na overlijden van erflaatster en door aanvaarding van beide taken.

Dit was tevens bekend was bij verzoeker.

Voorts leidt het enkele feit van het hebben van beide hoedanigheden niet automatisch tot het oordeel dat sprake is van onverenigbaarheid van beide hoedanigheden.

De verweten belangenverstrengeling dient nader te worden onderbouwd met gebeurtenissen, feiten en omstandigheden die zich voorgedaan zouden hebben nadat verweerster beide hoedanigheden heeft aanvaard.

Het feit dat verzoeker na 2019 een procedure is gestart tegen de executeur waarin de geldigheid van het testament wordt aangevochten en de kosten voor de executeur uit de nalatenschap worden vergoed en de kosten voor verzoeker niet uit het legaat, kan niet leiden tot een ander oordeel.

Het testament is nog steeds rechtsgeldig en de bepalingen betreffende het legaat waarover een testamentair bewind is ingesteld daarmee ook.

In de bepaling is een regeling opgenomen waaraan het legaat mag worden besteed.

De kantonrechter is van oordeel dat de testamentair bewindvoerder kan beslissen dat de kosten voor het voeren van voornoemde dagvaardingsprocedure geen kosten voor levensonderhoud zijn.

Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van belangenverstrengeling ontstaan na 12 september 2019.

De kantonrechter is van oordeel dat dit verwijt niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van een gewichtige reden die moet leiden tot het ontslag van de testamentair bewindvoerder.

Voorts wordt de testamentair bewindvoerder verweten dat sprake is van een zodanig wantrouwen in haar functioneren dat dit moet leiden tot haar ontslag.

Verzoeker verwijt de testamentair bewindvoerder dat haar wijze van communicatie met de familie leidt tot wantrouwen in haar functioneren.

De familie stelt dat de testamentair bewindvoerder er alles aan doet om zo min mogelijk van het legaat uit te keren ten nadele van rechthebbende, dat bewijsstukken worden gevraagd van de familie die onmogelijk verstrekt kunnen worden of de privacy van de echtgenote aantasten.

De familie geeft aan dat rechthebbende haar niet wil zien. Rechtstreeks contact met rechthebbende zou volgens de familie kunnen leiden tot geweld. Dat is onwenselijk waardoor de familie heeft besloten in overleg met het tehuis waar rechthebbende verblijft, dat de testamentair bewindvoerder geen direct contact met hem mag hebben.

De familie en rechthebbende ervaren stress door de wijze van beheer door de testamentair bewindvoerder.

De testamentair bewindvoerder heeft aangevoerd dat voor het uitvoeren van haar taak als testamentair bewindvoerder het niet noodzakelijk is om direct contact met rechthebbende te hebben.

Zij is van mening dat alle declaraties ruimhartig worden beoordeeld en uitgekeerd.

Zij geeft daarbij aan dat hoe meer informatie zij krijgt over hetgeen rechthebbende nodig heeft om zijn leven zo aangenaam mogelijk te laten zijn, zij hierin vervolgens financieel meer kan betekenen omdat zij dan met deze informatie rekening kan houden bij de beoordeling van de declaraties.

De kantonrechter is van oordeel op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling dat na 12 september 2019 geen sprake is van constructieve communicatie tussen partijen.

Het gebrek hieraan was naar het oordeel van de kantonrechter reeds aanwezig voor de uitspraak van de kantonrechter in 2019.

Ook toen werd dit verwijt gemaakt aan de testamentair bewindvoerder blijkens de beschikking.

Het wantrouwen dat is ontstaan jegens de testamentair bewindvoerder door de wijze van communicatie tussen partijen vindt haar oorsprong niet uitsluitend in gebeurtenissen, feiten en/of omstandigheden die ontstaan zijn na de uitspraak van de kantonrechter in 2019.

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van voortgezet wantrouwen en dat het voortgezette wantrouwen niet bestaat uit nieuwe gebeurtenissen, feiten en omstandigheden, die het ontslag van de testamentair bewindvoerder zouden kunnen rechtvaardigen.

De testamentair bewindvoerder heeft de bevoegdheid de uitgaven die (namens) rechthebbende (zullen) plaatsvinden te beoordelen aan de hand van het criterium dat het testament ten aanzien van het legaat heeft bepaald.

Hierover verschillen de familie en de testamentair bewindvoerder regelmatig van inzicht.

Het wantrouwen dat mede hierdoor is ontstaan in de testamentair bewindvoerder is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van gewichtige redenen die zullen moeten leiden tot ontslag.

De communicatie tussen partijen verloopt niet soepel, echter naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet alleen te wijten aan één van partijen, hierdoor kan ook dit verwijt niet zelfstandig maar ook niet als onderdeel van het gestelde wantrouwen, leiden tot ontslag van de testamentair bewindvoerder.

De kantonrechter zal het verzoek tot ontslag van de testamentair bewindvoerder afwijzen omdat gelet op het hiervoor is overwogen niet is komen vast te staan dat de testamentair bewindvoerder in ernstige mate tekort is geschoten of dat zij ongeschikt is geworden om deze taak te kunnen uit te voeren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over bewind of curatele in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.