Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 25 april 2023 uitspraak gedaan over het toetsingskader bij de vaststelling van de wilsonbekwaamheid van een erflater.

De vereffenaar stelt samengevat dat de erflater de verkoop en levering van het dubbel woonhuis en van het aanliggend stuk grond niet heeft gewild en dat om die reden de door appellante gestelde koopovereenkomst vernietigbaar is.

Volgens de vereffenaar heeft de erflater de koopovereenkomst en de leveringsakte gesloten onder invloed van een geestesstoornis zodat zijn wil ontbrak (artikel 3:34 BW).

Door die stoornis kon de erflater zijn handelen niet overzien en is hij een voor hem (zeer) nadelige overeenkomst aangegaan.

Dat moet, volgens de vereffenaar, voor appellante ook duidelijk zijn geweest.

De vereffenaar vordert de vernietiging van de overeenkomst en teruglevering en stelt daartoe dat de woning is verkocht en geleverd onder invloed van een geestelijke stoornis.

Zij heeft volgens de vereffenaar ook misbruik gemaakt van deze omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) door de koop van het dubbel woonhuis en het aanliggend perceel toch door te zetten.

Appellante betwist dat sprake was van een geestesstoornis bij de erflater, dan wel dat hij onder invloed van een stoornis over is gegaan tot de verkoop en levering.

Volgens haar is de overeenkomst ook niet nadelig voor de erflater.

Daarnaast betwist zij dat zij misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden.

Erfrecht. Vereffening. Vernietiging door vereffenaar van verkoop en levering woning op grond van wilsonbekwaamheid. Geestelijke stoornis. Bewijslast. Toetsingskader. Rechtsvermoeden. Bewijsvermoeden. Nadeel.

De rechter oordeelt als volgt.

Wilsbekwaamheid en geestelijke stoornis : uitgangspunten en toetsingskader

Op grond van artikel 3:34 lid 1 BW rust op de vereffenaar als de partij die zich op vernietigbaarheid van de uiting tot het aangaan van de overeenkomst beroept, de stelplicht en bewijslast dat ten tijde van die uiting bij de erflater een geestelijke stoornis in de zin van deze bepaling aanwezig was (vgl. Hoge Raad, 9 september 2016, NJ 2016/408, HR:2016:2047).

De vereffenaar dient ook te stellen en aannemelijk te maken dat in verband met die geestesstoornis diens wil tot het aangaan van de overeenkomst heeft ontbroken.

Op dat punt komt de wetgever degene die aan een geestesstoornis lijdt tegemoet door de twee in art. 3:34 lid 1 BW genoemde (onweerlegbare) vermoedens.

Het eerste onweerlegbare vermoeden treedt in indien vast staat dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette.

Het tweede onweerlegbare vermoeden treedt in als vast staat dat de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

Met betrekking tot dat tweede vermoeden biedt het eerste lid van art. 3:34 BW in de tweede zin een weerlegbaar (hulp)vermoeden.

Indien de rechtshandeling voor de betrokkene nadelig was, wordt de verklaring vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijs niet was te voorzien.

Of het nadeel redelijkerwijs niet was te voorzien, moet objectief worden bepaald.

Of de wederpartij van de geestelijk gestoorde zich realiseerde of had moeten realiseren dat de rechtshandeling voor de ander nadelig was, is hier niet relevant (vgl. Hoge Raad, 15 november 2002, NJ 2003/60, HR:2002:AF0585).

Het begrip ‘geestesstoornis’ is in de wet niet omschreven.

Het hof gaat ervan uit dat dit niet te beperkt moet worden opgevat.

Het gaat erom of de geestesvermogens van degene die de verklaring aflegt zodanig zijn gestoord (blijvend of tijdelijk) dat hij zich niet goed rekenschap kan geven van wat hij verklaart, in de zin dat hij de consequenties daarvan onvoldoende kan overzien (vgl. de conclusie voor Hoge Raad, 21 februari 2014, PHR:2013:2378).

De vaststelling of iemand wel of niet geestelijk gestoord was ten tijde van zijn verklaring is van feitelijke aard.

Die vaststelling kan op alle manieren plaatsvinden, zo ook aan de hand van stukken uit medische dossiers, die de stelling dat sprake is van een geestesstoornis kunnen ondersteunen (zie Hoge Raad, 9 september 2016, NJ 2016/408, HR:2016:2047).

Daarbij kan ook betekenis toekomen aan het gegeven dat de notaris heeft meegewerkt aan een vastlegging van een rechtshandeling waarvan achteraf de vernietigbaarheid wordt ingeroepen.

De medewerking van de notaris kan een aanwijzing opleveren dat hij geen reden zag om te veronderstellen dat de betrokkene niet afdoende geestelijk gezond was (Zie de conclusie voor Hoge Raad, 5 maart 2021, PHR:2021:217).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.