De Rechtbank Rotterdam heeft op 11 april 2023 uitspraak gedaan over de vraag of de rechtbank rechtsmacht had tot de benoeming van een vereffenaar gezien het feit dat de erflater in België was overleden.
Verzoekster verzoekt om op grond van artikel 4:203 BW over te gaan tot de benoeming van een vereffenaar in de nalatenschap van erflater en ieder die dit verzoek tegenspreekt tezamen te veroordelen aan verzoekster de proceskosten te betalen.
Verzoekster legt aan het verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Nederlands recht is op de erfopvolging van toepassing.
De nalatenschap moet vanwege de beneficiaire aanvaarding worden vereffend, maar verzoekster en de belanghebbenden komen hier in het geheel niet uit en de verhouding met de andere erfgenamen is inmiddels zo verhard, dat gezamenlijk optreden als vereffenaar geen optie is.
Omdat partijen er samen niet uitkomen, is het volgens verzoekster in het belang van alle partijen om een vereffenaar aan te wijzen.
Erfrecht. Verzoek benoeming vereffenaar. Erflater woonde in België en is daar overleden. Erfrechtverordening. Nederland gewone verblijfplaats van erflater? Nederlands recht van toepassing? Nauwe en duurzame band met Nederland?
De rechter oordeelt als volgt.
Erflater is in België overleden.
De zaak heeft gelet hierop een internationaal karakter, zodat eerst moet worden beoordeeld welke rechtbank bevoegd is om onderhavig verzoek te behandelen en vervolgens welk recht van toepassing is.
Bevoegde rechtbank
De vraag welke rechtbank bevoegd is moet worden beoordeeld op grond van de Europese Erfrecht verordening (650/2012) (hierna: de Erfrechtverordening), omdat erflater na 17 augustus 2015 1 is overleden.
In artikel 4 van de Erfrechtverordening is bepaald dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Beoordeeld moet derhalve worden waar erflater op het tijdstip van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had.
Verzoekster stelt dat erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Volgens verzoekster had erflater ten tijde van zijn overlijden de Nederlandse nationaliteit en stond hij slechts een jaar ingeschreven op een Belgisch adres.
De feitelijke woon- en verblijfplaats van erflater was volgens verzoekster Nederland, omdat zij en erflater een goed huwelijk hadden en feitelijk samenwoonden in H.
Volgens verzoekster had erflater zich om zijn moverende redenen, welke deels gerelateerd zijn aan de reden waarom er nu zoveel conflict is tussen de erfgenamen, ingeschreven in België.
Volgens verzoekster is zij met erflater in Nederland getrouwd volgens het Nederlandse recht en zijn de gezamenlijke kinderen in Nederland geboren en opgegroeid.
Verzoekster heeft voorts een verklaring overgelegd van 27 januari 2023 van een notaris in R (België), die daarin, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende verklaart:
-dat hoewel erflater op het ogenblik van zijn overlijden zijn officiële inschrijving in België had, uit opzoekingen blijkt dat erflater geen enkele roerende noch onroerende goederen in België bezat;
-dat erflater gedurende zijn verblijf in België nooit beroepsactiviteiten in België heeft uitgeoefend;
-dat de notaris van mening is dat het centrum van voornaamste belangen van erflater op het ogenblik van zijn overlijden duidelijk niet in België lag;
-dat je voor de Vlaamse Belastingdienst enkel een rijksinwoner van België bent als je werkelijke woonplaats op gelegen is in een Belgische gemeente;
-dat een werkelijke woonplaats niet noodzakelijk hetzelfde is dan de officiële woonplaats en dat de werkelijke woonplaats moet worden beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden;
-dat de notaris – gelet op het voorgaande – van mening is dat erflater volgens de interpretatie van de Vlaamse Belastingdienst geen Belgische rijksinwoner was op het ogenblik van zijn overlijden, zodat er bijgevolg ook geen aangifte van nalatenschap moet worden ingediend in België.
Volgens belanghebbende had erflater zijn gewone verblijfsplaats in België, omdat erflater tien of elf jaar in België heeft gewoond.
Erflater kwam volgens belanghebbende nauwelijks nog in Nederland na zijn verhuizing naar België en had de juridische strijd om zijn camping gestaakt.
Als belanghebbende bij erflater op bezoek ging, dan was dat in België.
Erflater en verzoekster leefden gescheiden, want erflater woonde in België en verzoekster in Nederland.
Over de verklaring van de notaris uit R is belanghebbende verbaasd en hij vraagt zich af op welke feiten deze is gebaseerd, omdat zijn vader non-stop aan het werk was en dat werk in België lag.
Ook de Vlaamse belastingdienst is op zoek naar de erfgenamen van erflater, zodat zij hem als inwoner zien, aldus belanghebbende.
In de Erfrechtverordening is geen definitie gegeven van het begrip gewone verblijfplaats.
Overwegingen 23 en 24 van de Erfrechtverordening bevatten echter wel aanwijzingen.
Deze overwegingen luidden als volgt:
“(23) Gelet op de toenemende mobiliteit van burgers en teneinde de goede rechtsbedeling in de Europese Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat er een echte band bestaat tussen de erfopvolging en de lidstaat waar de bevoegdheid wordt uitgeoefend, moet deze verordening erin voorzien dat de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden als algemeen aanknopingspunt geldt voor het bepalen van zowel de bevoegdheid als het toepasselijke recht. Om de gewone verblijfplaats vast te stellen, dient de aangezochte autoriteit zich een oordeel te vormen over alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren voor zijn overlijden en op het tijdstip van overlijden hebben gekenmerkt, en daarbij alle relevante feitelijke elementen in beschouwing te nemen, in het bijzonder de duur en de regelmatigheid van de aanwezigheid van de erflater in de betrokken staat en de omstandigheden van en de redenen voor het verblijf. De aldus vastgestelde gewone verblijfplaats moet, uit het oogpunt van de specifieke doelstellingen van deze verordening, duiden op een nauwe en duurzame band met de betrokken staat.
(24) In sommige gevallen kan het bepalen van de gewone verblijfplaats van de overledene een complexe zaak blijken. Dit kan het geval zijn indien de erflater om professionele of economische redenen, en soms voor een langere tijd, in een andere lidstaat is gaan wonen en werken, maar een nauwe en duurzame band met zijn land van oorsprong heeft behouden. In een dergelijk geval zou, afhankelijk van alle omstandigheden, kunnen worden geoordeeld dat de erflater zijn gewone verblijfplaats nog in zijn land van oorsprong had, waar zich het centrum van zijn belangen voor zijn gezins- en sociaal leven bevond. Andere complexe gevallen kunnen zich voordoen als de erflater afwisselend in verschillende lidstaten heeft gewoond of van staat naar staat is gereisd zonder zich voor langere tijd in een ervan te vestigen. Indien de erflater onderdaan van een van deze staten was of in een van deze staten al zijn voornaamste goederen had, zou zijn nationaliteit of de plaats waar deze goederen zich bevinden, bijzonder kunnen meewegen bij de algehele beoordeling van alle feitelijke omstandigheden.”
Hieruit volgt dat gewone verblijfplaats van de erflater voor de toepassing van de Erfrechtverordening ligt in het land waarmee de erflater een nauwe en duurzame band had.
Deze nauwe en duurzame band dient met name te worden gebaseerd op de duur en de frequentie van het verblijf van de erflater in dat land en omstandigheden van en de redenen die de erflater had voor zijn verblijf aldaar.
Bij de beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.
Erflater woonde in België.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit niet slechts één jaar was, zoals verzoekster stelt, maar dat hij daar al ongeveer tien jaar woonde.
Het enkel wonen in België is echter onvoldoende om van een gewone verblijfplaats te kunnen spreken.
Gelet op de Erfrechtverordening moeten onder meer de omstandigheden van en de reden voor het verblijf in België worden meegenomen bij de vraag waar de gewone verblijfplaats van erflater is gelegen.
De reden waarom erflater naar België is verhuisd, is echter onduidelijk gebleven. Wat echter wel duidelijk is, is dat erflater – ondanks zijn verhuizing naar België – met verzoekster getrouwd is gebleven en dat verzoekster samen met hun twee jongste kinderen in Nederland is blijven wonen.
Volgens verzoekster deden zij en erflater alles samen als in een huwelijk en ging zij elk weekend naar erflater in België.
Ook kwam erflater regelmatig (zeker met de feestdagen) naar Nederland.
Dit is door belanghebbende niet bestreden.
Gelet hierop is de band met erflater met Nederland niet geheel verbroken.
Volgens de verklaring van de Belgische notaris oefende erflater voorts geen beroepsactiviteiten uit in België.
Belanghebbende betwist dat, want volgens belanghebbende voerde erflater werkzaamheden uit vanuit zijn woning in België.
Dit betekent echter niet dat hij ook beroepsactiviteiten in België uitoefende.
Erflater bestuurde voor hij overleed samen met verzoekster de Nederlandse stichting.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat de activiteiten waar deze stichting zich mee bezighield niet in Nederland, maar in België, zijn gelegen.
Voorts heeft de Belgische notaris verklaard dat erflater geen roerende en onroerende zaken in België bezat, wat door belanghebbende evenmin gemotiveerd is weersproken.
Dit alles bij elkaar maakt dat de rechtbank van oordeel is dat erflater, ondanks zijn langdurige verblijf in België, een nauwe en duurzame band met Nederland heeft behouden, zodat zijn gewone verblijfplaats nog in Nederland lag.
Van belang is tevens en dit weegt de rechtbank ook mee dat erflater altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
Nederland moet dus worden aangemerkt als de gewone verblijfplaats van erflater ten tijde van zijn overlijden.
Dat de Vlaamse belastingdienst mogelijk ook geïnteresseerd is in de erfgenamen van erflater maakt dit niet anders.
Omdat Nederland de gewone verblijfplaats was van erflater, is de Nederlandse rechter conform artikel 4 van de Erfrechtverordening bevoegd om het verzoek te beoordelen.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord welke Nederlandse rechter relatief bevoegd is om dit verzoek te behandelen.
Op grond van artikel 268 lid 1 Rv is in zaken betreffende nalatenschappen bevoegd de rechter van de laatste woonplaats van de overledene.
Nu verzoekster in H woont, zij met erflater gehuwd was en daar het gezinsleven plaatsvond, merkt de rechtbank deze woonplaats aan als de laatste woonplaats van erflater.
Gelet hierop is deze rechtbank relatief bevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen.
Toepasselijk recht
Voorts moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is.
Uit artikel 83 lid 4 van de Erfrechtverordening volgt dat als – zoals in dit geval – een uiterste wilsbeschikking is opgesteld vóór 17 augustus 2015 en deze is opgesteld in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van de Erfrechtverordening had kunnen kiezen, dat recht geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht.
Erflater heeft in zijn testament Nederlands recht gekozen als het op de erfopvolging toepasselijke recht.
Dit recht behoort volgens artikel 22 lid 1 van de Erfrechtverordening tot de keuzemogelijkheden van erflater, omdat erflater op het tijdstip van de rechtskeuze de Nederlandse nationaliteit bezat.
Gelet hierop is het Nederlandse recht in dit geval het toepasselijke recht.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.