Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 maart 2023 uitspraak gedaan over de vraag of de vereffenaar in persoon aansprakelijk was voor een ernstige en verwijtbare tekortkoming.
Appellant en geïntimeerde zijn broer en zus van elkaar.
Samen met hun broer zijn zij de kinderen van erflaatster, overleden in 2000, en erflater, overleden in 2014.
Met zijn grief richt appellant zich tegen zijn veroordeling als vereffenaar in persoon.
Erfrecht. Vereffening. Aansprakelijkheid van de vereffenaar. Tekortkoming. Is de vereffenaar persoonlijk aansprakelijk? Ernstige en verwijtbare tekortkoming. Schulden van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Appellant stelt dat hij niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, ernstig en verwijtbaar is tekortgeschoten als vereffenaar van erflaters nalatenschap.
Appellant stelt dat van een dergelijk tekortschieten geen sprake kan zijn omdat hij op grond van zijn psychische gesteldheid en vanwege een gebrek aan financiële middelen niet in staat was om de vereffening op een behoorlijke wijze uit te voeren.
Het hof is van oordeel dat appellant ernstig en verwijtbaar is tekortgeschoten als vereffenaar van erflaters nalatenschap.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne.
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof die overwegingen weer:
“Stand vereffening – aansprakelijkheid appellant voor schulden nalatenschap?
Uitgangspunt is dat appellant, die de nalatenschap heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, in persoon niet aansprakelijk is voor de schulden van de nalatenschap tenzij sprake is van een omstandigheid zoals vermeld in artikel 4:184 BW.
Geïntimeerde heeft een beroep gedaan op dit artikel waarbij appellant als vereffenaar ingevolge artikel 4:184 1id 2 sub d BW verplicht is een schuld der nalatenschap te voldoen indien hij in de
vervulling van zijn verplichtingen ernstig tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
Geïntimeerde heeft in dat kader aangevoerd dat appellant heeft bewerkstelligd dat uit de verkoopopbrengst genoemde bedragen zijn voldaan.
Appellant is de enige die als enig erfgenaam én vereffenaar de nalatenschap met deze betalingen kan hebben belast.
Het betreft echter schulden die zijn ontstaan na datum overlijden erflater en zijn (daarmee) geen schulden ex 4:7 BW.
Ook is volledig onduidelijk hoe het verloop is van de verhuurinkomsten van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken en ontbreekt iedere administratie, aldus geïntimeerde.
Ter zitting is aandacht besteed aan de huidige stand van de vereffening en daarmee aan de taakvervulling van appellant als vereffenaar.
Appellant heeft hierbij aangegeven dat een accountant nodig was om de huidige stand van de vereffening inzichtelijk te maken.
Hiervoor heeft appellant na zitting akte kunnen nemen.
Uit de geboden toelichting blijkt echter niet wat de stand van de vereffening is. Er is geen huidig saldo noch enig inzicht in hoe geldstromen hebben gelopen/dan wel hoe een saldo tot stand zou zijn gekomen.
Appellant heeft daarbij aangegeven dat nog niet alle gegevens compleet zijn en dat hij niet bij machte is om de vereffening te volbrengen.
Hij heeft daarom de rechtbank in een eerdere procedure verzocht een vereffenaar te benoemen.
Dit is afgewezen en tegen deze beslissing dient thans een procedure in hoger beroep, aldus appellant.
Nadat geïntimeerde een beroep heeft gedaan op artikel 4:184 BW is appellant in staat gesteld om ook hierop te reageren (na de zitting).
Het verweer van appellant op de stelling van geïntimeerde is zeer summier.
De rechtbank merkt op dat de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren óók ziet op het verweer.
Als dit verweer voorbij gaat aan logische conclusies of vragen oproept die juist de feitelijk betrokkene moet kunnen beantwoorden is het verweer onvoldoende onderbouwd.
Appellant is degene die als erfgenaam én vereffenaar inzicht moet kunnen bieden in de stand van de vereffening én de betaling /verrekening van schulden aan derden en de oorsprong van deze schulden.
De rechtbank merkt daarbij op dat de schulden zijn voldaan bij levering van een onroerende zaak en door de notaris vanuit de koopsom van die onroerende zaak.
Appellant zou dus, met behulp van informatie van de notaris bijvoorbeeld, inzicht moeten kunnen verschaffen en onderbouwd verweer moeten kunnen voeren op de stellingen van geïntimeerde .
Dat hij dit niet heeft gedaan, komt voor zijn risico.
De enkele verwijzing naar het ingediende hoger beroepsschrift is overigens onvoldoende verweer.
Het is aan partijen om hun stellingen te onderbouwen en daarbij specifiek te verwijzen naar van belang zijnde onderdelen van producties.
Het is niet aan de rechtbank om de standpunten van partijen te onderbouwen met enig willekeurig deel van een productie.
Partijen bepalen de rechtsstrijd, niet de rechtbank.
De enkele verwijzing naar het beroepsschrift in zijn algemeenheid kan daarom niet tot onderbouwing van het verweer leiden.
Een inhoudelijke taxatie van de feiten brengt de rechtbank ertoe dat geïntimeerde voldoende gesteld heeft om te oordelen dat appellant in zijn taak als vereffenaar ernstig tekort is geschoten én dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
Hij heeft de betalingen van de niet tot de nalatenschap horende schulden toegestaan of bewerkstelligd terwijl er schuldeisers van de nalatenschap zijn die óók moeten worden voldaan.
Bovendien geeft hij hierover geen enkele uitleg.
Ook ontbreekt nog steeds -vele jaren na het overlijden van erflater – ieder overzicht van de vereffening.
Onduidelijk is wat er met huurinkomsten is gebeurd en wat de grondslag is voor betalingen aan derden. De enkele mededeling dat hoe dan ook geen positief saldo aanwezig is, is onvoldoende.
Met bovenstaand schiet appellant in ernstige mate tekort in zijn taak als vereffenaar en dit kan hem worden verweten.
Hij is hierdoor aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap.
Dit brengt met zich dat appellant in persoon ook zal worden veroordeeld tot betaling van de in dit vonnis vastgestelde bedragen.”
Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
Uit gemelde beschikking van de kantonrechter blijkt niet meer dan dat aan appellant ontslag als executeur wordt verleend als executeur van erflaters nalatenschap ‘nu appellant zelf om zijn ontslag heeft gevraagd omdat het hem vanwege de complexiteit van de nalatenschap niet gelukt is de nalatenschap op een juiste wijze af te wikkelen en een boedelbeschrijving op te stellen.”
Uit die beschikking blijkt niet dat de psychische gesteldheid en/of de financiële gesteldheid van appellant hem de uitoefening van zijn taken als executeur belemmerden.
Een dergelijke belemmering is ook geen voorwaarde voor een ontslag als executeur, aangezien een dergelijk ontslag (op eigen verzoek steeds wordt verleend (artikel 4:149 lid 1 aanhef en letter f en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, is bovendien niet begrijpelijk op welke wijze een op eigen verzoek verkregen ontslag als executeur zou moeten leiden tot de conclusie dat het enige maanden later tekortschieten in de taakuitoefening als vereffenaar niet ernstig en verwijtbaar kan zijn.
Het hof overweegt daarbij dat appellant op geen enkele wijze zijn stelling heeft onderbouwd dat zijn psychische gesteldheid hem in zijn taakuitoefening als executeur en – later – als vereffenaar belemmerde: medische informatie waaruit die gesteldheid zou kunnen worden afgeleid ontbreekt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.