Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 17 december 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er een gewichtige redenen ex art. 4:206 lid 5 BW bestond om de vereffenaar te ontslaan.

Appellant en zijn zussen zijn de enige erfgenamen.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant is een vereffenaar benoemd.

Bij tussenbeschikking van 7 februari 2020 en bij eindbeschikking van 2 april 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van appellant tot schorsing respectievelijk ontslag van de vereffenaar ex artikel 4:206 lid 5 BW en het verzoek tot de aanstelling van appellant tot opvolgend vereffenaar ex artikel 4:203 lid 1 sub a BW, afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek tot het ontslag van de vereffenaar heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellant aangevoerde argumenten onvoldoende toereikend zijn, dan wel van onvoldoende gewicht of onvoldoende onderbouwd om te constateren dat sprake is van gewichtige redenen die het ontslag van de vereffenaar van de nalatenschap zouden rechtvaardigen.

De grief betreft de vraag of de vereffenaar – die aangesteld werd bij beschikking van 16 april 2014 – de boedel al dan niet gebrekkig heeft beheerd en om die reden ontslagen zou moeten worden.

Deze grief valt uiteen in twee onderdelen: de discussie of er sprake is van verwaarlozing van de woning en de discussie over de energierekening.

Appellant verwijt zijn zus dat zij gedurende viereneenhalf jaar in de woning heeft gewoond, zonder hiervoor ooit huur of hypotheek te hebben betaald.

Ook heeft de zus niet voor de elektrische stroom betaald en trachtte zus dit stroomverbruik op de nalatenschappen af te wentelen.

Ondertussen raakte de woning in verval, aldus appellant.

Erfrecht. Vereffening. Gebrekkig beheer? Gewichtige redenen voor het ontslag van de vereffenaar?

De rechter oordeelt als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan de vereffenaar de gestelde energiekosten alsnog bij de zus in rekening brengen – indien hij daartoe aanleiding ziet – als de vereffening voltooid is dan wel zijn einde nadert.

Een partiële verdeling van een nalatenschap is tijdens de vereffening zonder medewerking van alle schuldeisers niet mogelijk.

Mogelijk zal de vereffenaar in de thans betrokken stellingname van de zijde van appellant aanleiding zien de kwestie te bezien dan wel opnieuw te bezien, nu er op zich geen goede reden aanwezig lijkt dat de overige erfgenamen volledig zouden bijdragen in de kosten van energie vanaf datum overlijden van de erflater tot aan 2014.

Enige kosten liggen in beginsel wel in de rede, vanwege bijvoorbeeld het voorkomen van bevriezing van leidingen, maar ‘gewone ‘gebruikskosten vallen er voorshands niet onder.

Dit is anders voor OZB-heffingen die samenhangen met eigendom en derhalve plegen door te lopen zolang de woning niet is verkocht en overgedragen.

In beginsel kan in het kader van de verdeling tussen de erfgenamen de betaling van bepaalde posten worden toegerekend aan degene die het feitelijk betreft.

Het hof verwerpt de stelling van appellant.

Ten aanzien van de vraag of de woning onder het beheer van de vereffenaar , die per 16 april 2014 tot vereffenaar is benoemd, (nog meer) in staat van verval is geraakt sinds zijn aantreden, merkt het hof allereerst op dat het uit het verhandelde op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft begrepen dat erflaters deze woning reeds een aantal jaren voor hun dood in 2011 hadden verlaten, dat het huis al die tijd heeft leeggestaan totdat de bank als hypotheeknemer er bij de zussen erop heeft aangedrongen dat één van hen het leegstaande huis zou betrekken teneinde verval tegen te gaan, dat zus aan dit verzoek gehoor heeft gegeven en de woning samen met haar echtgenoot gedurende een aantal jaren heeft betrokken.

De zus heeft ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat zij de woning niet (verder) heeft laten vervallen.

Het hof kan uit de getaxeerde waardes niet afleiden dat de woning na het aantreden van de vereffenaar in 2014 (erger) in verval is geraakt dan wel ‘zwaar verwaarloosd’ is geraakt .

Daartoe variëren de getaxeerde waardes van vóór en na zijn benoeming in 2014 te weinig.

Uit bovengenoemde rapporten kan het hof evenmin afleiden dat de woning (zeer) in verval was, voordat de vereffenaar werd benoemd in 2014 nu dit niet uit de rapporten blijkt.

Ook al in het rapport van 2013 werden gebreken aan de woning genoemd (één scheur in het metselwerk, voegscheuren in de vloer, zeer vuil sierpleister, verouderde badkamer en beperkte isolatie). Ongetwijfeld is inmiddels sprake van enige achterstallig onderhoud maar dat is nog geen verval.

Tot slot overweegt het hof dat ook indien aannemelijk zou zijn gemaakt dat er sprake is van (lichte) verwijten aan de vereffenaar, dit niet direct betekent dat de vereffenaar zou moeten worden ontslagen uit zijn functie.

Voor ontslag dient immers sprake te zijn van ‘gewichtige redenen’ in de zin van artikel 4:206 lid 5 BW, en dat is in deze tamelijk gecompliceerde nalatenschappen naar het oordeel van het hof op deze punten vooralsnog niet aan de orde

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een verzoek tot het ontslag van een vereffenaar of van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.