De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een verzoeker tot de benoeming van een vereffenaar belanghebbende was.

Verzoekster heeft verzocht haarzelf te benoemen tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater.

Aan dit verzoek legt verzoekster ten grondslag dat de bewindvoerder van erflater haar heeft benaderd om de nalatenschap van erflater te vereffenen, omdat de nalatenschap van erflater niet werd beheerd.

Op grond van dat verzoek heeft verzoekster een eerste onderzoek gedaan naar de erfgenamen.

Tot en met de derde graad zijn geen erfgenamen gevonden.

Pas in de vierde graad kunnen erfgenamen gevonden worden, maar daarvoor is een verdergaand erfgenamenonderzoek benodigd.

De met het eerste erfgenamenonderzoek verband houdende kosten zijn door verzoekster voorgeschoten.

Op grond daarvan is verzoekster van mening dat zij als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Erfrecht. Vereffening. Bewind. Onbeheerde nalatenschap. Bewindvoerder. Benoeming van een vereffenaar. Belanghebbende. Schuldeiser. Begrip van belanghebbende.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 4:204 lid 1 onder a BW kan de rechtbank, als de nalatenschap niet onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, op verzoek van i) het openbaar ministerie of ii) een belanghebbende een vereffenaar benoemen.

Daartoe kan de rechtbank besluiten:

  1. wanneer er geen erfgenamen zijn,
  2. wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn,
  3. wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten.

De bewindvoerder zag zich geconfronteerd met een ‘onbeheerde nalatenschap’.

Dat de bewindvoerder zich gelet daarop tot verzoekster heeft gewend is wellicht vanuit praktisch oogpunt wel begrijpelijk, maar de vraag is of verzoekster enkel door het aanvaarden van een verzoek van de bewindvoerder om de nalatenschap te vereffenen een belanghebbende wordt, waardoor zijzelf kan verzoeken zich tot vereffenaar van de nalatenschap te (laten) benoemen.

Dat is niet het geval.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 1:449 lid 1 BW eindigt het bewind door het overlijden van de rechthebbende.

De bewindvoerder heeft echter na het overlijden nog wel verplichtingen.

Zo blijft zij verplicht om al datgene te doen, wat niet zonder nadeel van de rechthebbende of de boedel kan worden uitgesteld, totdat degene die na haar tot het beheer bevoegd is, dit heeft aanvaard (artikel 1:448 lid 3 BW) én moet zij rekening en verantwoording afleggen aan de erfgenamen aan het einde van het bewind (artikel 1:445 lid 1 BW).

De bewindvoerder voert echter na het overlijden van de rechthebbende niet langer het beheer over alle goederen van erflater.

De bewindvoerder is dus ook niet langer bevoegd om namens de boedel of namens erflater verbintenissen aan te gaan.

Dat betekent dat verzoekster een opdracht gekregen en aanvaard heeft van een beschikkingsonbevoegde bewindvoerder.

Ook anderszins kan verzoekster niet als belanghebbende worden aangemerkt.

In de regel worden als belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 4:204 lid 1 onder a BW uitsluitend beschouwd de schuldeisers van erflater.

Deze hebben immers belang bij voldoening van hun vordering op erflater vanuit de nalatenschap.

In dit geval is verzoekster pas schuldeiser geworden nadat zij van de, als gevolg van het overlijden van erflater onbevoegd geworden, bewindvoerder een opdracht heeft aanvaard en vervolgens kosten is gaan maken, die zij nu vergoed wil zien.

Naar het oordeel van de rechtbank past het niet in het stelsel van de wet dat iemand op grond van een onbevoegd verleende opdracht werkzaamheden verricht en zich vervolgens op het standpunt stelt dat hij of zij daarmee belanghebbende in de zin van artikel 4:204 lid 1 onder a BW is geworden en op grond daarvan zichzelf wil laten benoemen tot vereffenaar.

De vergelijking met de in het verzoekschrift genoemde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 (RBAMS:2017:7866) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, aangezien de rechtbank in die uitspraak zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat na het overlijden van rechthebbende in een beschermingsbewind de bewindvoerder niet langer bevoegd is om namens de boedel of namens erflater verbintenissen aan te gaan.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen, omdat verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 4:204 lid 1 onder a BW is.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat bij gebreke van enige belanghebbende in de zin van artikel 4:204 lid 1 onder a BW de enige mogelijkheid om een vereffenaar in een onbeheerde nalatenschap te laten benoemen de weg via het openbaar ministerie is.

Zij kan te allen tijde een verzoek tot benoeming van een vereffenaar doen en maakt van die mogelijkheid ook met enige regelmaat gebruik.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.