De Rechtbank Den Haag heeft op 24 juni 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een vervanging van een executeur noodzakelijk was.

In deze procedure gaat het in wezen om twee afzonderlijke geschilpunten, die in elkaars verlengde liggen, maar beide te maken hebben met de afwikkeling van de nalatenschap door de executeur.

Het eerste geschilpunt is het meest verstrekkende, namelijk dat de dochters stellen dat aan de taak van de bewindvoerder een einde is gekomen, omdat de nalatenschap negatief is.

In het geval de nalatenschap niet negatief is, komt pas het tweede geschilpunt aan de orde, namelijk de vraag of de executeur wel executeur kan of moet blijven.

Erfrecht. Executele. Bewind. Negatieve nalatenschap? Einde van de taak van executeur? Vervanging van de executeur noodzakelijk? Belangenverstrengeling. Aangifte erfbelasting. Verkoop onroerend goed.

De rechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of de nalatenschap positief of negatief is.

Volgens de laatste opstelling van de executeur per 30 september 2021 is de nalatenschap tot een bedrag van € 1.511.296,83 positief.

De dochters daarentegen stellen dat de nalatenschap negatief is.

De reden waarom de dochters stellen dat de nalatenschap negatief is luidt dat de executeur in zijn opstelling van 30 september 2021 ten onrechte twee definitieve belastingaanslagen van de Nederlandse fiscus tot een bedrag van € 3.284.880,- niet vermeld heeft, alsmede onvermeld laat dat het landgoed zonder de juiste vergunningen is verbouwd, zodat daarop de verplichting rust het landgoed in de oorspronkelijke staat te herstellen, hetgeen een prijsdrukkend effect heeft op de waarde van het landgoed, zo niet dat het landgoed in de huidige staat zelfs onverkoopbaar is.

Door te stellen dat de nalatenschap negatief is betogen de dochters dat de taak van de executeur op de voet van artikel 4:149 lid 1 onder d. BW is geëindigd, omdat de nalatenschap overeenkomstig de derde afdeling van de zesde titel (van Boek 4 BW) moet worden vereffend.

In artikel 4:202 lid 1 onder a. BW staat dat een nalatenschap moet worden vereffend, wanneer deze door de erfgenamen onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard (hetgeen het geval is), tenzij er een executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn.

In het voorliggende geval is een executeur benoemd en deze heeft becijferd dat de nalatenschap € 1.511.296,83 bedraagt en daarmee ruimschoots positief is.

De dochters betwisten dat de nalatenschap positief en stellen zelfs dat de nalatenschap negatief is.

Daardoor zou de genoemde uitzondering niet langer aan de orde zijn, zou aan de taak van de executeur een einde zijn gekomen en zouden zijzelf thans de vereffenaars van de nalatenschap zijn.

De slotzin van artikel 4:202 lid 1 onder a. BW luidt dat bij geschillen omtrent de waardering van de nalatenschap de kantonrechter beslist.

Tegen de aanslagen erfbelasting is namens de dochters bezwaar aangetekend. Belangrijk element van het bezwaar betreft de vraag waar de erflater woonachtig was (in Nederland of in Italië) en voor hoe lang.

De dochters betogen met een beroep op artikel 4 Algemene Wet op de Rijksbelastingen dat de erflater ten tijde van zijn overlijden al meer dan tien jaar in Italië woonachtig was, omdat er vele aanknopingspunten zijn, waaruit kan worden afgeleid dat hij reeds lang meer binding had met Italië dan met Nederland.

In dat licht zouden de aanslagen erfbelasting ten onrechte zijn opgelegd.

Op het bezwaar moet nog beslist worden.

Met betrekking tot de waarde van het landgoed kan de kantonrechter op basis van de hem beschikbare informatie onvoldoende oordelen of het landgoed geen of zelfs een negatieve waarde vertegenwoordigt.

Indien de stelling is dat het landgoed in enige oorspronkelijke staat moet worden teruggebracht ontbreekt elke onderbouwing van de kosten die daarmee gemoeid zouden zijn.

Voor zover het landgoed zelfs onverkoopbaar zou zijn en daardoor geen enkele waarde zou vertegenwoordigen, miskennen de dochters dat het landgoed niettemin een zekere waarde vertegenwoordigt, ofwel als eigen woning of als verhuurobject, in welk geval het landgoed huurinkomsten kan genereren.

Op grond van de voorgaande overwegingen kan naar het oordeel van de kantonrechter thans niet worden vastgesteld dat de nalatenschap negatief is.

Daarvoor dient tenminste de beslissing van de Belastingdienst op het bezwaar van de dochters met betrekking tot de aanslagen erfbelasting te worden afgewacht.

Daarnaast zou de waarde van het landgoed beter moeten worden onderbouwd.

Nu het oordeel van de kantonrechter is dat op dit moment niet kan worden uitgegaan van een negatieve nalatenschap is aan de taak van de executeur geen einde gekomen op grond van het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 onder d BW in combinatie met artikel 4:202 lid 1 onder a. BW.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de executeur nog executeur kan blijven.

In deze procedure is naar voren gekomen dat de persoon van de executeur te zeer verweven is met de problematiek rondom de woonplaats van de erflater, waaruit de aanslagen erfbelasting zijn voortgevloeid.

De executeur was lange tijd de fiscaal adviseur van de erflater en in die hoedanigheid was hij nauw betrokken bij de fiscale advisering van de erflater, waarvan gebleken is dat deze tot aan zijn overlijden financiële belangen in zowel Nederland als Italië had en in die zin keuzes heeft moeten maken ten aanzien van zijn fiscale status, waarover de executeur hem geadviseerd heeft.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat de hoedanigheid van fiscaal adviseur meer en meer aan een goede uitoefening van de taak als executeur in de weg, zodanig dat de kantonrechter de tijd gekomen acht een andere executeur in zijn plaats te benoemen.

Het voorgaande houdt in dat de kantonrechter de executeur op de voet van artikel 4:149 lid 1 onder f. BW met ingang van heden ontslag zal verlenen en op de voet van artikel 8 lid 2 onder b. van het testament een vervanger zal benoemen.

In de aanloop naar deze beschikking hebben partijen zich reeds kunnen uitlaten over de persoon van de vervanger van de executeur.

Bij brief van 2 april 2022 heeft de gemachtigde van de dochters mevr. mr. M, notaris te Arnhem, als vereffenaar voorgesteld.

Dat laatste was in overeenstemming met het meer subsidiaire tegenverzoek van de dochters om te bepalen dat de taak van de executeur was geëindigd door de aanvang van de vereffening van de nalatenschap.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is van een aanvang van de vereffening vooralsnog geen sprake.

Uit de brief van de gemachtigde van de executeur van 10 mei 2022 valt af te leiden dat partijen ook overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van mr. M als vervanger voor de executeur.

Hierna zal als zodanig worden beslist.

Teneinde daarover in een later stadium verschil van opvattingen te voorkomen zal de kantonrechter in afwijking van hetgeen daarover in artikel 8 lid 2 onder i. van het testament is bepaald bepalen dat de vervangende executeur wel recht heeft op loon en wel een loon dat in overeenstemming is met de Recofa-richtlijnen.

Het feit dat de executeur als executeur ontslagen wordt betekent ook dat hij op de voet van artikel 4:151 BW rekening en verantwoording zal dienen af te leggen aan de vervanger.

Deze verplichting vloeit voort uit de wet, zodat het niet noodzakelijk is deze verplichting in deze beschikking te bevestigen.

Wilt U de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.