De Rechtbank Gelderland heeft op 6 december 2021 uitspraak gedaan in kort geding over de vraag welke bevoegdheden de bewindvoerder toekwamen op grond van het testament van erflaatster.

Volgens de eisende partij voorziet het testament van moeder niet in de benoeming van een afwikkelingsbewindvoerder in de situatie van een vooroverlijden van vader, zoals thans aan de orde.

Het afwikkelingsbewind in het testament zou volgens haar uitsluitend zien op de situatie dat vader de wettelijke verdeling van de nalatenschap van moeder niet zou aanvaarden en er een verdeling samen met de kinderen als erven moet plaatsvinden.

Door het vooroverlijden van vader, kan van een wettelijke verdeling van de nalatenschap van moeder geen sprake zijn waardoor, volgens eisende partij, de in het testament opgenomen regeling van het afwikkelingsbewind geen toepassing kan vinden.

Daarom zou het nu aan gezamenlijke erven zijn – de vier zussen gezamenlijk – om te vereffenen.

Voor voornoemde stellingen wijst eisende partij op een bepaling in het testament onder VII inhoudende dat aan de bewindvoerder alle bevoegdheden toekomen die nodig zijn om bovenstaande verdeling (cursief door de voorzieningenrechter) zelfstandig tot stand te brengen.

Omdat het testament niet voorziet in een andere wijze van verdeling dan een wettelijke, zou deze verwijzing alleen betrekking kunnen hebben op de wettelijke verdeling, meer specifiek de wettelijke verdeling en de afwijkingen daarop die daarvóór onder IV van het testament zijn bepaald.

De gedaagde partij voert het verweer dat bij een wettelijke verdeling een afwikkelingsbewind niet aan de orde is, immers gaat de nalatenschap naar de langstlevende en wordt er dan niets verdeeld of afgewikkeld.

De verwijzing naar bovenstaande verdeling onder VII van het testament zal om die reden juíst geen betrekking kunnen hebben op de wettelijke verdeling, zoals onder IV van het testament geregeld.

Nu vader is vooroverleden en daardoor van een aanvaarding door hem van een benoeming tot afwikkelingsbewindvoerder geen sprake kan zijn, is volgens VII van het testament de oudste kandidaat-notaris als in VII vermeld daartoe benoemd, in wiens plaats gedaagde partij nu als notaris is getreden.

Erfrecht. Executele. Kort geding. Bevoegdheden van de executeur-afwikkelings-bewindvoerder. Uitleg testament. Belangenafweging.

De rechter oordeelt als volgt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Zoals ook in het tussenvonnis van de kantonrechter van 7 juni 2019 is onderkend, gaat het hier om een vraag van uitleg.

Hoewel de kantonrechter partijen in dat vonnis in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten bij akte, is de vraag daarna in de procedure niet meer aan de orde gekomen, kennelijk omdat de daarin aan de orde zijnde vordering van eisende partij op andere gronden al niet toewijsbaar bleek.

Ook in het daarvan ingestelde appel is het hof niet aan die vraag toegekomen.

Thans loopt er een bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant waarin mogelijk wél aan de vraag wordt toegekomen.

In dit kort geding moet daarop worden vooruitgelopen.

Dat brengt de voorzieningenrechter op het volgende.

Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Daarbij moet niet alleen de letterlijke tekst van het testament worden gevolgd maar ook de bedoeling van de overledene.

Partijen hebben zich over de kennelijke bedoeling van partijen bij het testament niet uitgelaten, althans niet anders dan wat daarover uit het testament zelf zou kunnen volgen.

Bij de beoordeling zal de voorzieningenrechter daarom uitsluitend van de tekst van het testament uitgaan.

Uit de tekst kan, anders dan [eisende partij] betoogt, niet worden afgeleid dat de regeling van het afwikkelingsbewind onder VII alleen ziet op de situatie dat de langstlevende de wettelijke verdeling niet zou aanvaarden en zou moeten vereffenen met de kinderen.

In de regeling staat geen verwijzing naar die door eisende partij beschreven situatie.

Daardoor moet er, in het kader van de beoordeling in dit kort geding, van worden uitgegaan dat met bovenstaande verdeling in VII uitsluitend wordt verwezen naar de verdeling met een afwikkelingsbewind zoals die in dezelfde paragraaf is geregeld.

De conclusie is dan ook dat eisende partij niet wordt gevolgd in haar stelling dat de regeling van het afwikkelingsbewind in het testament beperkt is tot een situatie waarin vader de wettelijke verdeling niet zou hebben aanvaard.

De voorzieningenrechter zal eisende partij dan ook niet volgen in wat zij over de (on)bevoegdheid van gedaagde als afwikkelingsbewindvoerder heeft gesteld.

Er bestaat gerede twijfel over de door eisende partij gestelde verplichting van gedaagde partij om zich te onthouden van afwikkelingshandelingen, waaronder de door haar aangekondigde betaling van schulden van de nalatenschap aan de kinderen.

Belangenafweging

Het voorgaande leidt in beginsel tot afwijzing van de gevraagde voorziening.

Het te verwachten nadeel van een eiser in kort geding bij het uitblijven van een veroordeling kan echter zo groot zijn en verhoudingsgewijs zoveel zwaarder wegen dat door het te verwachten nadeel voor de verwerende partij, ondanks een ruime mate van onzekerheid over de door eiser gestelde rechtsverhouding, een veroordeling zoals gevorderd op zijn plaats is.

Hierbij zal steeds ook het voorlopige karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding moeten worden meegewogen, waarbij sprake zal kunnen zijn van een min of meer in elkaar overvloeiende afweging van recht en belang.

Deze afweging kan zo ver gaan dat de belangen van eiser afgezet tegen die van gedaagde maatregelen vergen dat een bestaande situatie wordt bevroren in afwachting van een bodemprocedure, ook al is er gerede twijfel over de toewijsbaarheid van de vordering.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een andere beoordeling op grond van een belangenafweging zoals hiervoor beschreven.

Het belang van eisende partij bij de door haar gevraagde voorziening is, naar zij stelt, dat de nalatenschap waarin zij een erfdeel en daarmee belang heeft, een incassorisico loopt voor mogelijke vorderingen op een of meerdere van de kinderen die zullen ontstaan op het moment dat de uitgangspunten in de door gedaagde partij bij brief van 9 november 2021 niet zouden kloppen.

In dat verband wijst eisende partij op een, naar zij stelt, niet rechtsgeldige schenking van moeder aan C van € 100.000,00.

Volgens haar is deze schenking gedaan onder invloed van een geestelijke stoornis.

Moeder was dementerend en had geen overzicht over haar zaken.

Als voorbeeld geeft zij dat in een overleg met de kinderen over de begrafenis van vader, moeder zou hebben gemeend dat het over haar eigen begrafenis ging.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de enkele omstandigheid dat moeder dementerend was, niet dat zij niet in staat was haar wil met betrekking tot deze schenking te bepalen.

Moeder was niet handelingsonbekwaam.

Van de schenking is een onderhandse, door moeder ondertekende, akte opgemaakt zodat ook dat niet direct duidt op een lichtzinnigheid met betrekking tot het doen van deze schenking.

Maar als dat in de bodemprocedure anders wordt beoordeeld – het geschil ligt in de eerder genoemde bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant voor – en het gevolg daarvan zou zijn dat C het bedrag moet terugbetalen, is het nog maar de vraag of zij daartoe niet in staat zou zijn en er dus sprake is van een reëel incassorisico.

De eisende partij heeft geen omstandigheden gesteld waaruit een bijzonder risico kan worden afgeleid.

In ieder geval zal een deel van een alsdan bestaande vordering verrekend kunnen worden met het erfdeel van C dat, evenals de andere erfdelen, vooralsnog onder gedaagde partij zal blijven.

Volgens opgave van gedaagde bedraagt het saldo van de gezamenlijke erfdelen, na de uitbetaling van de schulden, ruim € 200.000,00.

Voor de schenkingen aan twee andere zussen die door gedaagde in haar hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder zijn bekrachtigd, en door de eisende partij worden bestreden, geldt hetzelfde.

Het gaat om een totaal aan schenkingen van (afgerond) € 26.000,00.

Als deze schenkingen op enig moment moeten worden terugbetaald, zou de nalatenschap deze met de bij gedaagde partij achtergebleven erfdelen kunnen verrekenen.

De eisende partij stelt daarnaast dat de nalatenschap moet beschikken over voldoende middelen voor een eventuele terugbetaling van de koopsom van de woning als op enig moment zou komen vast te staan dat deze verkoop door gedaagde niet rechtsgeldig was.

Echter, hiermee gaat eisende partij er aan voorbij dat de kopers van woning naar zij stellen van de bevoegdheid van gedaagde zijn uitgegaan en dat zij mogelijk als derden te goeder trouw tegen haar mogelijke onbevoegdheid worden beschermd.

Verder gaat eisende partij eraan voorbij dat een niet-rechtsgeldige verkoop namens de nalatenschap nog altijd namens de nalatenschap kan worden bekrachtigd, wat voor de hand kan liggen nu de woning ruim boven de taxatiewaarde is verkocht.

Gesteld noch gebleken is dat de woning voor een hoger bedrag verkocht had kunnen worden.

Gelet op de voorgaande overwegingen kan, anders dan eisende partij betoogt, niet worden aangenomen dat het onverstandig is dat er nu al een uitbetaling van schulden aan de kinderen zal plaatsvinden, integendeel heeft de nalatenschap, voor de belangen waarvan gedaagde partij dient op te komen, belang bij een snelle uitbetaling omdat de betrokken gelden thans met een negatieve (bank)rente van 0,5% worden belast.

Dat belang prevaleert boven het door eisende partij gestelde incassorisico zoals hiervoor besproken en beoordeeld.

De gevraagde voorziening wordt daarom geweigerd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de bevoegdheden van een afwikkelingsbewindvoerder, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.