De Rechtbank Amsterdam heeft op 13 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een executeur bevoegd was tot de overdracht van grafrechten.

Erflater was rechthebbende van een tweetal grafrechten ten aanzien van graven op de Algemene Begraafplaats van de gemeente A.

Erflater heeft bij testament van 14 december 2017 en aanvullend testament van 7 februari 2019 over zijn nalatenschap beschikt.

Hierin heeft erflater bepaald dat hij niet afwijkt van de wettelijke erfopvolging, hetgeen impliceert dat zijn kinderen gezamenlijk erfgenaam zijn ieder voor een onverdeeld aandeel in de nalatenschap.

Daarnaast heeft hij D BV benoemd tot executeur.

De executeur in de nalatenschap vordert een verklaring voor recht dat hij niet bevoegd was om de grafrechten over te dragen en vordert teruggave daarvan.

Erfrecht. Executele. Bevoegdheden van de executeur. Interne en externe bevoegdheid van de executeur Beheer of beschikking? Toetsing. Overdracht van grafrechten.

De rechter oordeelt als volgt.

Het gaat in deze zaak kort gezegd over het volgende.

In de veronderstelling dat alle erfgenamen zich daarin konden vinden, heeft de executeur de grafrechten willen overdragen aan gedaagde.

Na daartoe strekkende bezwaren van de erfgenamen betwist de executeur in deze procedure bij nader inzien haar bevoegdheid bij de overdracht.

Daarmee is de bevoegdheid van de executeur in geschil, alsmede de rechtsgevolgen van haar eventuele onbevoegdheid.

Met betrekking tot de taken en bevoegdheden van een executeur stelt de rechtbank het volgende voorop.

Een executeur, wiens bevoegdheden zoals in dit geval niet bij testament zijn beperkt, heeft tot taak om:

1) het beheer over de goederen van de nalatenschap te voeren, en

2) de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:144 lid 1 BW).

Voor zover dat nodig is voor die voldoening van schulden, is de executeur bevoegd om door haar beheerde goederen te gelde te maken (artikel 4:147 lid 1 BW).

Bij haar beheer moet de executeur de zorg van een goed executeur betrachten.

Gedurende haar beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van haar taak de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:145 lid 2 BW), en zijn de erfgenamen zelf niet bevoegd zonder haar medewerking of machtiging van de kantonrechter over de goederen van de nalatenschap te beschikken (artikel 4:145 lid 1 BW).

Gelet op wat artikel 3:77 BW bepaalt, gezien in combinatie met artikel 4:145 lid 2 BW, moeten de rechtsgevolgen van het handelen van de executeur aan de erfgenamen worden toegerekend.

In de literatuur wordt beschreven dat de executeur niet van haar bevoegdheid tot verkoop jegens derden hoeft te doen blijken.

De beperking dat de executeur slechts bevoegd is tot tegeldemaking over te gaan indien dat nodig is voor de betaling van schulden, heeft immers slechts interne werking.

Een externe werking zou de uitoefening door de executeur van haar taak verlammen (Perrick, Asser/Perrick 4 2017/696).

De wederpartij van de executeur zal zich niet behoeven te verdiepen in de vraag of het om een tegeldemaking ten behoeve van de voldoening van de schulden van de nalatenschap gaat (Parl. Gesch. Vaststellingswet, p. 855).

Hij moet wel weten of de executeur met het beheer van de nalatenschap belast is, hetgeen hij eenvoudig zou kunnen afleiden uit de verklaring van executele of erfrecht.

Tenzij de erflater anders bepaalt in zijn uiterste wil, treedt de executeur eerst ‘zoveel mogelijk’ in overleg met de erfgenamen over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van te gelde maken (artikel 4:147 lid 2 BW).

Schending van de overlegverplichting leidt niet tot onbevoegdheid van de executeur (Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 585).

De erflater kan bepalen dat de executeur wel toestemming van de erfgenamen nodig heeft voor de keuze en de wijze van te gelde maken van goederen uit de nalatenschap (artikel 4:147 lid 3 BW).

Dit toestemmingsvereiste heeft omwille van de rechtszekerheid slechts interne werking (Parl. Gesch. Boek 4, p. 855).

In de praktijk worden de bevoegdheden van een executeur weleens gecombineerd met de bevoegdheden van een testamentaire bewindvoerder.

Hierdoor krijgt de executeur meer armslag en kan hem zelfs de bevoegdheid worden toegekend de nalatenschap op een bepaalde wijze te verdelen.

Deze figuur wordt wel aangeduid met ‘executeur/afwikkelingsbewindvoerder’ (Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2021/329).

Met betrekking tot de grafrechten stelt de rechtbank voorop dat, nu erflater ten tijde van zijn overlijden daarvan rechthebbende was, deze rechten in zijn nalatenschap vielen.

Omdat de grafrechten overdraagbaar zijn en in het economisch verkeer een waarde vertegenwoordigen, gaat het om vermogensrechten als bedoeld in artikel 3:6 BW.

Met betrekking tot de overdracht van de grafrechten aan gedaagde stelt de rechtbank ten slotte voorop dat deze overdracht kwalificeert als een beschikkingshandeling, meer in het bijzonder een verdelingshandeling.

Het betreft immers een overdracht om niet ten aanzien van een goed uit de nalatenschap.

Tegen deze achtergrond ligt allereerst de stelling van de executeur voor – tevens gevorderd als verklaring voor recht – dat zijzelf in haar hoedanigheid van executeur onbevoegd was om de grafrechten aan gedaagde over te dragen, waardoor de overdracht aan gedaagde niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

Op deze stelling baseert de executeur immers haar vordering die ertoe strekt dat gedaagde gehouden is de grafrechten aan de erfgenamen althans de executeur over te dragen.

Met haar stelling veronderstelt de executeur dat zijzelf degene is geweest die het ertoe heeft geleid dat beide grafrechten aan gedaagde zijn overgedragen.

Dit uitgangspunt blijkt echter wat betreft het grafrecht (graf 1) onjuist.

Immers, uit de brief van de gemeente van 20 november 2019 blijkt dat dit grafrecht reeds per 16 augustus 2019 is overgeschreven op naam van gedaagde.

De executeur heeft ter zitting toegelicht dat dit mogelijk het gevolg is van een eigen, verkeerde interpretatie door de gemeente van een bericht van de executeur met betrekking tot de begrafeniskosten.

Wat daar verder van zij, gesteld noch gebleken is dat de executeur bij deze (eerdere) overdracht betrokken is geweest.

Nu aldus het uitgangspunt van de executeur onjuist is, terwijl dit wel de grondslag van de vorderingen van de executeur vormt, moeten al daarom de vorderingen van de executeur die zien op dit grafrecht worden afgewezen.

Evenmin is gedaagde gehouden om het andere grafrecht (graf 2) aan de erfgenamen althans de executeur over te dragen.

Immers, ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling dat de executeur niet bevoegd was om dit grafrecht aan gedaagde over te dragen, slaagt het verweer van gedaagde dat zij er, gelet op alle omstandigheden van het geval, op mocht vertrouwen dat de executeur wel over de bevoegdheid daartoe beschikte, zoals bedoeld in artikel 3:35 BW.

Hiertoe is het volgende redengevend.

Niet in geschil is dat D BV – in elk geval ten tijde van de overdracht van dit grafrecht in april 2020 – executeur in de nalatenschap van erflater was, nadat zij daartoe bij testament was benoemd en deze benoeming had aanvaard.

Ingevolge de wet heeft de executeur kort gezegd tot taak de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, waartoe hij zo nodig goederen uit de nalatenschap mag verkopen.

Bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigt hij de erfgenamen in en buiten rechte.

Uit deze wetsystematiek, en de daarbij in de literatuur gegeven toelichting vloeit een onderscheid voort tussen de interne en de externe bevoegdheid van de executeur ten aanzien van (goederen van) de nalatenschap, namelijk in de (interne) verhouding tot de erfgenamen, en de (externe) verhouding tot derden.

De interne bevoegdheid is aan verschillende beperkingen onderhevig, nu deze bevoegdheid zich slechts uitstrekt tot handelingen van beheer en bepaalde beschikkingshandelingen, maar niet tot verdelingshandelingen – zoals de overdracht aan gedaagde.

De externe bevoegdheid van de executeur is daarentegen in feite ongeclausuleerd, althans derden behoeven niet te onderzoeken of de executeur ook (intern) bevoegd is om een bepaalde beschikkingshandeling met betrekking tot (een goed van) de nalatenschap te verrichten.

Uit het voorgaande vloeit voort dat gedaagde, toen D BV het grafrecht aan haar overdroeg of liet overdragen, op basis van het feit dat D BV executeur in de nalatenschap was, ervan uit mocht gaan dat D BV bevoegd was om die rechtshandeling te verrichten.

Bovendien waren er ook andere omstandigheden die gedaagde in dit vertrouwen konden sterken, te weten dat de erflater kort voor zijn overlijden zelf uitdrukkelijk zijn wens om de grafrechten aan gedaagde over te dragen kenbaar had gemaakt, dat de uitvaartverzorger deze wens schriftelijk heeft vastgelegd en hij deze bovendien ook – tezamen met de overige uitvaartwensen van erflater – met de erfgenamen in het bijzijn van gedaagde heeft besproken, en zij (naar onweersproken vaststaat) daartegen toen geen enkel bezwaar hebben geuit.

Daarentegen zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat gedaagde op enigerlei wijze de bevoegdheid van de executeur om de grafrechten aan haar over te dragen in twijfel had behoren te trekken.

Dat geldt ook voor het gegeven dat de overdracht een verdelingshandeling betreft en om die reden in beginsel buiten de beschikkingsbevoegdheid van de executeur valt.

Dit betrof immers nog steeds een interne aangelegenheid.

Bovendien was in dit geval nu juist de bevoegdheid tot verdeling met zoveel woorden aan de executeur toebedeeld, zoals in de praktijk wel vaker gebeurt.

Immers, partijen (dat wil zeggen: de erfgenamen, de executeur en gedaagde) waren in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de executeur overeenkomstig de gemaakte afspraken de afwikkeling van de nalatenschap zou verzorgen, waaronder doorgaans ook de verdeling wordt verstaan.

Deze omstandigheid behoefde bij gedaagde daarom evenmin argwaan te wekken.

De slotsom van het voorgaande is dat gedaagde onder de gegeven omstandigheden er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat toen D BV het grafrecht (graf no 2) aan haar overdroeg althans liet overdragen, D BV daarbij handelde namens de erfgenamen ter uitvoering van haar wettelijke taak, en zij daartoe bevoegd was.

Nu dit verweer van gedaagde slaagt, moet de vordering ten aanzien van het grafrecht (graf 2) eveneens worden afgewezen.

Nu de gevorderde verklaring voor recht geen ander belang dient dan tot toewijzing te komen van de vordering, heeft de executeur bij deze vordering geen zelfstandig belang meer, althans niet in de rechtsverhouding met gedaagde, zodat ook deze vordering moet worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.