De Rechtbank Overijssel heeft onlangs uitspraak gedaan over een vordering van een executeur-testamentair tot  de terugbetaling van een lening.

Kort samengevat gaat deze zaak over de vraag of erflater (vader) geld heeft uitgeleend aan zijn zoon in privé.

De executeur-testamentair (de andere zoon van erflater) heeft een leenovereenkomst overgelegd waaruit dit zou volgen, maar volgens gedaagde is alleen geld uitgeleend aan zijn BV en is die onderneming failliet gegaan.

Erfrecht. Executele. Geldleenovereenkomst. Vordering van de executeur-testamentair tot  terugbetaling van een lening. Is geld uitgeleend aan de zoon in privé of zijn BV?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser vordert in zijn hoedanigheid van executeur – samengevat – betaling van € 22.703,40.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat vader op enig moment een bedrag van € 45.000,- heeft uitgeleend.

In geschil is wel of dat aan gedaagde in privé was, zodat gedaagde de rente daarover (en uiteindelijk ook de geleende som) moet (terug)betalen, of aan de onderneming van gedaagde, een BV, die failliet is verklaard.

Eiser stelt dat vader een bedrag van € 45.000,- aan gedaagde in privé heeft geleend, omdat de leenovereenkomst van oktober 2012 door gedaagde in privé is aangegaan.

Daarnaast zijn door gedaagde rentebetalingen gedaan die overeenkomen met deze lening en niet met de lening uit september 2012 die door de onderneming van gedaagde is aangegaan.

Gedaagde betwist dat hij in privé geld heeft geleend van vader.

Er is door vader ook geen bedrag van € 45.000,- naar hem in privé overgemaakt.

Naar de onderneming is wel € 45.000,- overgemaakt.

Die staan ook in de jaarrekening van de onderneming vermeld.

De rentebetalingen zijn altijd vanuit de onderneming gedaan.

Toen de onderneming failliet ging heeft gedaagde wel nog steeds betalingen aan vader (en aan eiser) gedaan, maar dat was onverschuldigd.

Waarom het document met de leenovereenkomst van oktober 2012 is opgesteld en ondertekend, weet gedaagde niet meer.

Op grond van artikel 7:129 lid 1 BW is de overeenkomst van geldlening een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, om een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.

Op grond van artikel 7:129b BW bindt de overeenkomst van geldlening de uitlener niet, indien de uitlener een natuurlijke persoon is die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt en het geld nog niet daadwerkelijk aan de lener is verstrekt of de uitlener zich schriftelijk tot de verstrekking verbonden heeft.

De kantonrechter begrijpt deze bepalingen zo, dat voor het bestaan van een afdwingbare geldleningsovereenkomst tussen privé personen, zoals eiser in deze zaak stelt, nodig is dat het uitgeleende geld daadwerkelijk aan de ontvanger (gedaagde) is verstrekt.

Gedaagde heeft dat betwist.

Eiser heeft zijn stelling dat geld aan gedaagde persoonlijk is uitgeleend niet nader onderbouwd.

Hij heeft bijvoorbeeld niet gezegd wanneer het is overgemaakt of in contanten is afgegeven, of waar dat uit volgt.

Nu tussen partijen daarnaast vaststaat dat rentebetalingen aan vader zijn gedaan vanuit de onderneming van gedaagde, is de leenovereenkomst van oktober 2012 op zichzelf onvoldoende om het bestaan van een afdwingbare geldlening te onderbouwen.

De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser daarom af.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.