Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van een gewichtige redenen voor het ontslag van de executeur.

Verweerder heeft de kantonrechter verzocht om appellant te ontslaan als executeur wegens gewichtige redenen.

Appellant heeft in zijn beroepschrift één grief aangevoerd.

Daarmee betoogt hij dat er geen gewichtige reden bestaat om tot ontslag van appellant in zijn hoedanigheid van executeur over te gaan.

Erfrecht. Executele. Ontslag executeur. Is sprake van een gewichtige redenen voor het ontslag van de executeur? Gecompliceerde nalatenschap. IPR. Wantrouwen. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:142 lid 1 BW bepaalt dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking een of meer executeurs kan benoemen.

De executeur heeft ingevolge artikel 4:144 lid 1 BW voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.

Op grond van artikel 4:149 lid 1 onder f BW eindigt de taak van een executeur door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent.

Het ontslag wordt hem op grond van artikel 4:149 lid 2 BW verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan appellant als executeur moet worden ontslagen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigd en licht dat toe.

Het hof stelt voorop dat het aannemelijk is dat appellant zijn uiterste beste heeft gedaan om aan de wens van erflater te voldoen om de rol van executeur naar eer en geweten en naar beste kunnen te vervullen.

Het hof is echter van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om appellant te ontslaan als executeur, omdat de afwikkeling van de nalatenschap van erflater een zeer ingewikkelde juridische kwestie is en aan het hof is gebleken dat appellant dit niet althans niet voldoende heeft onderkend, althans daar onvoldoende naar gehandeld heeft.

Uit het advies van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, zoals is ingewonnen door de notaris blijkt dat het Turkse huwelijksvermogensrecht van toepassing is op de relatie tussen vader (erflater) en moeder, dat het wettelijke stelsel van huwelijksvermogensrecht sinds 1 januari 2002 in Turkije is gewijzigd van een uitsluiting van iedere gemeenschap naar een verrekenstelsel en dat de moeder misschien nog een vordering op de nalatenschap van erflater heeft.

Dit afhankelijk van de vraag of de waarde van de verwervingen van erflater tijdens het huwelijk – naar het hof voorshands begrijpt vanaf 2002 tot datum overlijden – hoger waren dan de verwervingen van de moeder en dat beide partijen dus inzicht moeten geven in het verloop van hun vermogen.

Verder geldt dat op de nalatenschap van erflater het Nederlandse erfrecht van toepassing is en dat op zijn vermogen gelegen in Turkije het Turkse erfrecht geldt.

Dat kent een legitieme portie voor onder andere de langstlevende echtgenoot, en wel een vierde deel van de nalatenschap.

Aldus naar het hof voorshands begrijpt uit artikel 499 Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) en artikel 506 lid 4 TBW (in de Nederlandse vertaling van het Turks Wetboek).

Onterving is ten aanzien van deze legitieme portie blijkbaar niet mogelijk ingevolge artikel 505 eerste zin TBW.

Dat appellant deze ingewikkelde juridische kwestie niet heeft onderkend blijkt bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat hij sinds november 2021 geen of amper onderzoek heeft gedaan naar de huwelijksvermogensrechtelijke verhouding tussen zijn vader (erflater) en zijn moeder.

Dat wil zeggen naar eventuele inkomsten en vermogensvermeerderingen, terwijl desgevraagd is gebleken dat van beiden wel door ieder voor zich gedane belastingaangiften sinds 2002 beschikbaar zouden zijn.

Een dergelijk onderzoek is blijkens voornoemd advies echter uiterst relevant of minstens kan zijn voor de (totale) omvang van de nalatenschap van erflater.

Daarnaast stelt appellant dat het uitvoeren van de taken als executeur wordt bemoeilijkt doordat er in Nederland geen verklaring van erfrecht wordt afgegeven vanwege de gerechtelijke procedure in Turkije tussen de moeder en de erfgenamen en het nog niet duidelijk is wie er naar Turks recht erfgenaam is.

Hij heeft echter nagelaten te onderzoeken of er ook andere mogelijkheden zijn zoals het verkrijgen van een verklaring van executele zoals desgevraagd geopperd ter zitting in hoger beroep door de executeur.

Met deze verklaring had appellant als executeur in ieder geval een begin kunnen maken met de afhandeling van (een deel van) de nalatenschap.

Daarbij komt dat ook aan het hof tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de onderlinge verhoudingen tussen de erfgenamen op dit moment dusdanig slecht zijn – wat daar verder van zij wat betreft de over en weer aangevoerde redenen en gemaakte verwijten – dat het hof alle aanleiding ziet voor de benoeming van een externe executeur in de nalatenschap van erflater.

Het feit dat daarmee onvermijdelijk kosten zullen zijn gemoeid maakt dit niet anders, waarbij het hof opmerkt dat de voorshands gebleken omvang van de nalatenschap het dragen van kosten wel mogelijk maakt.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter om appellant te ontslaan en in zijn plaats een externe executeur te benoemen juist is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.