De Rechtbank Limburg heeft op 21 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de rechter kon overgaan tot de benoeming van een vereffenaar bij een onbeheerde nalatenschap.
In 2019 is de erflater overleden.
Verzoekster heeft een overeenkomst van hypothecaire geldlening gesloten met erflater blijkens de notariële akte van 2019, waarbij een recht van eerste hypotheek is gevestigd op het woonhuis met ondergrond en tuin.
De totale vordering van verzoekster bedraagt per 1 november 2020 een bedrag van € 156.220,57.
Erflater heeft in 2012 naar Duits recht een onderhands testament opgemaakt op grond waarvan hij heeft beschikt over zijn nalatenschap.
Alle bekende erfgenamen hebben de nalatenschap conform Duits recht verworpen.
Erfrecht. Benoeming van een vereffenaar. Verwerping van nalatenschap. Onbeheerde nalatenschap. Internationaal privaatrecht. Erfrechtverordening.
De rechter oordeelt als volgt.
Verzoekster is belanghebbende bij het verzoek, omdat zij een schuldeiser van de nalatenschap van erflater is.
Gelet op het bepaalde in artikel 4:206 BW beslist de rechtbank niet eerder op zo’n verzoek dan na verhoor of behoorlijke oproeping van verzoekster, de bekende erfgenamen, de boedelnotaris en de executeur.
In de nalatenschap is voor zover bekend geen boedelnotaris of executeur benoemd.
De nalatenschap is door alle thans bekende erfgenamen verworpen, zodat de rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling.
Verzoekster stelt – zo begrijpt de rechtbank – dat deze rechtbank met toepassing van artikel 33 Erfrechtverordening naar Nederlands recht een vereffenaar kan benoemen op grond van artikel 4:204 lid 1 onderdeel b BW omdat het gaat om een onbeheerde nalatenschap waarvan de goederen zich op Nederlands grondgebied bevinden.
Aan het verzoek is verder ten grondslag gelegd dat verzoekster, als schuldeiser van de nalatenschap, recht en belang heeft bij de benoeming van een vereffenaar, nu de nalatenschap door verwerping door de erfgenamen niet wordt afgewikkeld en onbeheerd is gebleven.
Andere erfgenamen zijn verzoekster onbekend.
Een uitgebreid erfgenamenonderzoek, mogelijk ook in Duitsland, kan volgens verzoekster wellicht nog uitkomst bieden, maar zal enige tijd vergen en de nodige kosten met zich meebrengen.
Op dit moment is het verzoekster onduidelijk of de nalatenschap dekking biedt voor deze kosten.
Vaststaat dat de bekende erfgenamen van erflater de nalatenschap naar Duits recht hebben verworpen.
Gesteld noch gebleken is verder dat er een legataris is die rechten heeft met betrekking tot meer dan een nalatenschapsgoed.
Of er nog, en zo ja wie, erfgenamen zijn van erflater is thans niet bekend.
Nu het Duitse erfrecht op de nalatenschap van erflater van toepassing is, verkrijgt de Duitse staat als erfgenaam de nalatenschap en dat betekent dat Duitsland in beginsel zowel aanspraak op het vermogen in Duitsland (als dat er is) als in Nederland kan doen gelden.
Nederland kan op grond van artikel 4:89 BW aanspraak maken op het vermogen gelegen in Nederland.
Nu zowel de Duitse als de Nederlandse staat aanspraak op het vermogen gelegen in Nederland kunnen maken, volgt uit artikel 33 van de verordening dat de toepasselijke erfwet niet verhindert dat de staat waar de goederen zich bevinden (Nederland) zijn rechten claimt op de situsgoederen.
Het voorgaande betekent dat de goederen in Nederland aan de Nederlandse staat toevallen, onder de voorwaarde dat Nederland toestaat dat eerst de schuldeisers worden voldaan.
Door het overlijden van erflater is de hoofdsom van de hypothecaire lening, vermeerderd met rente opeisbaar geworden.
De totale vordering van verzoekster bedraagt per 1 november 2020 een bedrag van € 156.220,57.
Verzoekster stelt dat zij op grond van artikel 3:268 BW weliswaar gerechtigd is om het onderpand in het openbaar ten overstaan van een notaris te verkopen, maar zij kan in dit geval de executie niet rechtsgeldig aanzeggen omdat de personalia van de erfgenamen immers onbekend zijn zodat het bepaalde in de artikelen 53 en 54 Rv geen uitkomst biedt.
Om überhaupt de executie rechtsgeldig aan te kunnen zeggen als bedoeld in artikel 544 lid 1 Rv is verzoekster derhalve gedwongen om een verzoek tot benoeming van een vereffenaar in te dienen.
Op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a BW kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende een vereffenaar benoemen.
Als de nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, kan de rechtbank tot die benoeming besluiten wanneer er geen erfgenamen zijn, wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn, of wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten.
Nu sprake is van een onbeheerde nalatenschap en voldoende is gebleken van een belang van verzoekster bij de benoeming van een vereffenaar, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek als niet onrechtmatig of ongegrond kan worden toegewezen.
De in het verzoekschrift voorgestelde tot vereffenaar te benoemen persoon heeft zich schriftelijk bereid verklaard een benoeming als zodanig te aanvaarden. De rechtbank zal overgaan tot benoeming van deze persoon.
Aangezien sprake is van een eenzijdig verzoek, acht de rechtbank geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 289 Rv een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het internationale privaatrecht of de Erfrechtverordening, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.