Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de taak van de executeur van rechtswege was geëindigd.
De kern van het geschil tussen partijen is gelegen in de vraag of verzoeker (nog steeds) executeur testamentair in de nalatenschap van erflaatster is.
Verweerder heeft in haar appel een aantal gronden aangevoerd op grond waarvan volgens haar aangenomen dient te worden dat de executele van rechtswege is beëindigd.
In dat verband heeft verweerder in de eerste plaats erop gewezen dat zij en haar zus de nalatenschap van hun moeder onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) hebben aanvaard.
Nu de executeurs geen zogenoemde ‘ruimschootsverklaring’ hebben afgegeven (dat wil zeggen dat de executeur moet kunnen aantonen dat de goederen van de nalatenschap voldoende zijn om alle schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen), is de taak van de executeurs op grond van artikel 4:149 lid 1 sub d BW van rechtswege geëindigd.
Erfrecht. Executele. Beneficiaire aanvaarding. Vereffening. Is de taak van de executeur van rechtswege geëindigd? Ruimschootsverklaring. Is de nalatenschap ruimschoots toereikend om alle schulden te kunnen voldoen?
De rechter oordeelt als volgt.
Bij beoordeling van dit standpunt stelt het hof voorop dat een nalatenschap die onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW wordt vereffend, tenzij er
- een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is, en deze
- kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.
Vaststaat dat verzoeker op grond van het bepaalde in het testament van erflaatster bevoegd is om de schulden van de nalatenschap te voldoen, waaronder begrepen het uitkeren van legaten.
Aan de eerste voorwaarde van artikel 4:202 lid 1 sub a BW is dus voldaan.
Naar het oordeel van het hof is daarnaast ook aan de tweede voorwaarde voldaan (de voorwaarde van een ‘ruimschootsverklaring’).
Daarbij verwijst het hof naar de aangifte erfbelasting die verweerder als bijlage bij haar beroepschrift heeft overgelegd, en waarvan verweerder zelf stelt dat deze als boedelbeschrijving kan dienen.
De aangifte erfbelasting is gebaseerd op een vermogensopstelling die na het overlijden van erflaatster is gemaakt door de heer X.
De heer X was financieel adviseur van erflaatster, en verzorgde voor haar jaarlijks de aangifte inkomstenbelasting.
Uit de aangifte erfbelasting volgt een positief saldo van de nalatenschap van € 199.840,-.
Daarbij is voor het berekenen van de verschuldigde erfbelasting rekening gehouden met een lagere waarde vanwege het aan verzoekers gelegateerde recht van gebruik en bewoning van € 375.600,- en het legaat (in contanten) van € 25.000,-.
Als het recht van gebruik en bewoning aan verzoekers kan worden afgegeven – daarover verschillen partijen met elkaar van mening – zal de nalatenschap vanuit civielrechtelijk perspectief niet met een dergelijk bedrag belast zijn.
Het saldo van de nalatenschap is dan nog veel hoger.
Uit dit alles kan worden afgeleid dat de nalatenschap een positief saldo heeft, en dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
Daaraan doet niet af dat verweerder de opstelling van de heer X gedeeltelijk heeft betwist.
Verweerder heeft gesteld dat het saldo van de nalatenschap buiten de legaten om geen € 600.440,- is, maar dat dit saldo € 520.189,- bedraagt.
Als daarvan wordt uitgegaan, zijn de goederen van de nalatenschap nog steeds toereikend om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen (die deels al in dit saldo zijn verwerkt), zelfs als rekening wordt gehouden met de (fiscale) waarde van het recht van gebruik en bewoning van € 375.600,-.
Op grond van het voorgaande staat vast dat alle betrokken partijen ervan uitgaan dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
Daarmee is naar het oordeel van het hof voldaan aan het vereiste van artikel 4:202 lid 1 sub a BW dat de executeur moet kunnen aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
Dat betekent dat de executele van verzoekers niet (reeds) op grond van artikel 4:149 lid 1 sub d BW is beëindigd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.