Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 8 mei 2018 uitspraak gedaan over een vordering tot afgifte van documenten ter zake (afwikkeling van) een nalatenschap op straffe van een dwangsom.
Rol van een door beide partijen in het kader van een geschikte buitenlandse procedure getekende “Affidavit of Desistance”. Hof: de daarin neergelegde kwijting heeft mede betrekking op de nalatenschap om welke bescheiden het in onderhavige zaak gaat. Daarmee heeft appellant finale kwijting verleend ter zake de afwikkeling daarvan.
Partijen zijn zusters van elkaar. Een andere zuster, Zus drie , is in 2004 overleden.
Partijen zijn door Zus drie tot haar enig erfgenamen benoemd, ieder voor 50%.
Door Zus een is in 2004 een boedelvolmacht ondertekend waarin Zus twee gevolmachtigd is om haar te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie.
Op 23 augustus 2005 is een bedrag overgemaakt door Zus twee aan Zus een van € 21.153,92 onder vermelding van “Checking Erfdeel van Zus drie.”
In 2009 hebben partijen procedures tegen elkaar aangespannen in de Filipijnen, welke procedures op 14 februari 2011 zijn geëindigd na ondertekening van een Affidavit of Desistance (hierna: de affidavit) door elk van partijen.
Voor de leesbaarheid van dit arrest citeert het hof het volgende gedeelte van de door [Zus een] ondertekende affidavit:
“I am no longer interested in further pursuing the instant case on account of the foregoing considerations as I hereby RELEASE, REMISS and forever DISCHARGE my sister [Zus twee] from any and all claims whatsoever arising from, in connection with or as a result of the circumstances obtaining in the instant case including those involved in the case pending before this Honorable Office entitled as “ [Zus twee] versus [Zus een] and docketed as NPS Docket No. [nummer]
This instrument may be pleaded as absolute and final bar or defense to suit or suits or legal or arbitration proceedings, that are pending, or may hereafter be prosecuted by me, my heirs, succesors and assigns, or any one claiming by, through, or under them, against any and all persons or things released herein for any matter or thing referred herein.”
I further state and declare that I have read and fully understood this RELEASE, WAIVER AND QUITCLAIM, and/or the contents hereof have been fully explained to me in a dialect known and understood by me, and the RELEASE, WAIVER AND QUITCLAIM is hereby given and made willingly and voluntarily, with full knowledge of my rights under the law, and with full understanding that by its execution, I, together with my heirs, successors or assigns shall be forever barred from making any claim or demand against [Zus twee] and all other persons acting for and on her behalf for any matter or thing referred to herein.”
In 2016 heeft Zus een haar zuster Zus twee gedagvaard voor de rechtbank Den Haag met als vordering afgifte van alle documenten die betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie, waaronder de successieaangifte en de aanslag successiebelasting alsmede alle stukken betrekking hebbende op de overdracht van de roerende zaak of zaken die zich in de nalatenschap bevonden en van de wijze van betaling daarvan en de opbrengst van andere vorderingen, waaronder ook begrepen vorderingen op de bank, een en ander onder verbeurte van een dwangsom als Zus twee in gebreke zou blijven aan het gevorderde te voldoen.
De vorderingen van Zus een zijn door de rechtbank afgewezen in het bestreden vonnis met als motivering dat Zus een door ondertekening van de affidavit finale kwijting heeft verleend aan Zus twee voor alle vorderingen die samenhingen met de Filipijnse procedure(s).
In hoger beroep zijn twee grieven aangevoerd. De eerste grief ziet op de affidavit. De grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de in de affidavit verleende finale kwijting ook ziet op de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie.
Daarnaast wordt in de toelichting op de grief betoogd dat de affidavit zoals overgelegd gelegaliseerd had dienen te zijn om bewijskracht in een Nederlandse gerechtelijke procedure te kunnen hebben, wordt verder de rechtsgeldigheid van de affidavit betwist en beroept Zus een zich op de vernietigbaarheid van de affidavit, naar het hof begrijpt op grond van wilsgebreken.
De tweede grief stelt aan de orde dat de wil van Zus een niet overeenstemt met de inhoud van de affidavit en dat Zus twee niet gerechtvaardigd had mogen vertrouwen op de inhoud daarvan, nu de affidavit gericht was tot de rechtbank in de Filipijnen en niet tot Zus twee.
In de verdere toelichting op de grieven stelt de – opvolgend – advocaat van Zus een naar aanleiding van het door Zus twee in eerste aanleg gevoerde verjaringsverweer dat de vordering van Zus een gebaseerd is op de stelling dat Zus twee haar taken als executeur-testamentair van de nalatenschap van Zus drie niet naar behoren heeft vervuld en dat Zus een rekening en verantwoording vordert op grond van artikel 4:148 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Vordering tot afgifte van documenten ter zake (afwikkeling van) een nalatenschap op straffe van een dwangsom. Bewijs van finale kwijting. Volmacht. Tekortkoming executeur?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof heeft zich voor de vraag gesteld gezien hoe de (rechts)feiten waarop de vordering van Zus een is gebaseerd zich verhouden tot de in hoger beroep aangevoerde – gewijzigde – rechtsgrond van de vordering.
Vast staat immers dat er geen benoeming van Zus twee tot executeur-testamentair heeft plaatsgevonden; zij heeft gehandeld op basis van een boedelvolmacht.
Het hof beoordeelt de gewijzigde omschrijving van de grondslag van de vordering in hoger beroep: het door Zus twee niet behoorlijk vervullen van haar taken als executeur-testamentair, daarom als juridisch onjuist.
Nu de juiste grondslag de door Zus een aan Zus twee verstrekte volmacht is, zal het hof de grieven met inachtneming van die grondslag bespreken.
In de toelichting op de eerste grief betoogt Zus een dat de affidavit gelegaliseerd had dienen te worden voordat daar rechtskracht aan zou kunnen worden toegekend en dat niet zou vaststaan dat de affidavit ‘echt’ is.
Het hof is van oordeel dat geen rechtsregel vereist dat een affidavit als de onderhavige gelegaliseerd zou moeten zijn voordat daar bewijskracht aan toegekend kan worden.
Verder heeft Zus een niet betwist dat het haar handtekening is die onder de affidavit staat, zij heeft erkend een procedure in de Filipijnen te hebben gestart die met de affidavit is afgesloten en in het vervolg van de toelichting op deze grief beroept zij zich op wilsgebreken bij de totstandkoming van de affidavit en erkent daarmee de ondertekening door haar daarvan, zoals zij ook ter comparitie in eerste aanleg heeft gedaan.
De stelling dat de affidavit alleen zou zien op strafrechtelijke aspecten van de Filipijnse procedure is niet onderbouwd en in strijd met de tekst van de affidavit nu blijkens die tekst afstand wordt gedaan van vorderingsrechten die onder algemene en bijzondere titel overdraagbaar zijn hetgeen duidt op privaatrechtelijke (vermogens)rechten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op wilsgebreken bij de totstandkoming van de affidavit moet worden verworpen omdat Zus een verschillende – steeds wisselende – verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop de affidavit tot stand is gekomen en die verklaringen onvoldoende zijn onderbouwd.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de affidavit verder laten meewegen dat deze mede ondertekend is door de Provincial Prosecutor (hierna: A) die in dat kader verklaard heeft dat hij heeft onderzocht of Zus een ten tijde van de ondertekening van de affidavit de inhoud daarvan volledig begreep en deze vraag is door hem bevestigend beantwoord.
Alle stellingen die Zus een ten grondslag legt aan haar betwisting van de rechtsgeldigheid van de affidavit op grond van wilsgebreken – zo wordt onder meer gesteld dat Zus een ziek was en Zus twee haar niet naar het ziekenhuis wilde brengen voordat ze de affidavit had ondertekend, dit terwijl uit de affidavit zelf blijkt dat die ten kantore van A is ondertekend – zijn ofwel onvoldoende onderbouwd – ofwel gemotiveerd betwist door Zus twee.
Daarbij hecht het hof net als de rechtbank belang aan de omstandigheid dat de meergenoemde A verklaard heeft zich ervan vergewist te hebben dat Zus een wist wat zij ondertekende. De conclusie op dit onderdeel is dan ook dat het hof uitgaat van de rechtsgeldigheid van de door Zus een ondertekende affidavit.
Met betrekking tot de omvang van de door partijen over en weer verleende finale kwijting heeft Zus een betwist dat (de afwikkeling van) de nalatenschap van Zus drie onderdeel van de Filipijnse procedures heeft uitgemaakt.
Zus twee heeft bij conclusie van antwoord een verklaring in het geding gebracht van X, waarin gemotiveerd wordt gesteld dat de nalatenschap van Zus drie onderdeel van de Filipijnse procedure uitmaakte.
Verder blijkt uit de brief van de toenmalige advocaat van Zus een van 20 Augustus 2009 aan Zus twee, welke brief door Zus een als productie bij dagvaarding in het geding is gebracht, ook dat de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie een onderdeel vormde van de in 2009 aangekondigde procedure. In deze brief staat immers onder meer:
“ We write on behalf of our client ms. [Zus een] who has referred to us for legal action the following:
Use of fictitious Last Will and Testament allegedly executed by your deceased sister [Zus drie] when to our knowledge the substantial part of the estate of your said deceased sister was supposed to be left to our client;
Theft of legal documents regarding properties of [Zus drie] from the house of our client;
Your failure to do so will constrain us to file the necessary court actions against you here in the Philippines as well as .. “
Nu Zus een in de toelichting op deze grief niets meer aanvoert dan de enkele betwisting dat de Filipijnse procedure mede de nalatenschap van Zus drie tot onderwerp had zonder aan te geven wat het onderwerp van die procedures wel zou zijn geweest en zonder in te gaan op de (on)juistheid van de hiervoor geciteerde brief van de toenmalige Filipijnse advocaat van Zus een, gaat het hof daaraan voorbij en wordt ervan uitgegaan dat de in de affidavit neergelegde kwijting mede betrekking heeft op de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie.
Het hof verwerpt de stelling van Zus een, dat Zus twee niet had mogen afgaan op de inhoud van de affidavit omdat die was gericht tot de rechtbank en niet tot Zus twee. In de affidavit is – kort gezegd – weergegeven dat partijen al hun misverstanden en geschilpunten hebben opgelost. Zus twee was bij de opstelling daarvan aanwezig en heeft getekend voor de ontvangst van een kopie van de affidavit.
De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat Zus een finale kwijting aan Zus twee heeft verleend ter zake van de afwikkeling van de nalatenschap van Zus drie. Het Hof neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijne. Nu de grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over een volmacht, over bewijsvoering in het erfrecht of over het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.