Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Rotterdam heeft op 10 augustus 2017 de voormalig executeur veroordeeld tot nakoming van zijn verplichtingen en legt de voormalig executeur een dwangsom op.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:145 lid 2 BW vertegenwoordigt de executeur de erfgenamen bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte, zolang als het beheer van de goederen der nalatenschap voortduurt. Het betreft een exclusieve bevoegdheid. Dit betekent dat eisers – die wel tot erfgenaam is benoemd, maar niet tot executeur – niet bevoegd is om zelfstandig in rechte op te treden. Eisers zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

Het spoedeisend belang van de executeur bij haar vorderingen volgt uit haar de stellingen. Het spoedeisend belang wordt niet betwist door gedaagde.

Voormalig executeur veroordeeld tot nakoming van zijn verplichtingen. Dwangsom. Rekening en verantwoording.

De executeur legt aan haar eerste vordering ten grondslag dat gedaagde tot op heden niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de beschikking van de kantonrechter van 24 mei 2017, en dat hij daartoe gedwongen moet worden. Gedaagde dient de roerende zaken van en administratieve bescheiden betreffende de nalatenschap in haar beheer te brengen. Volgens de executeur waren er veel goederen, waaronder schilderijen en sieraden, en heeft zij niets van dit alles ontvangen. Ook mist een deel van de administratie, aldus de executeur. Daarnaast heeft gedaagde, naar de mening van de executeur, niet op afdoende wijze rekening en verantwoording afgelegd. Het overzicht dat gedaagde heeft opgesteld is volgens de executeur volstrekt ontoereikend om een goed beeld te krijgen van wat er met de gelden is gebeurd.

De executeur legt aan haar tweede vordering ten grondslag dat eisers en gedaagde na het overlijden van erflaatster hebben afgesproken dat de urn met daarin de as van erflaatster zal worden bijgezet in het graf waar de ouders van eisers en erflaatster begraven liggen, en dat gedaagde zich niet aan die afspraak heeft gehouden. De executeur wil de urn nu alsnog laten bijzetten in het familiegraf.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Vaststaat dat gedaagde op grond van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2017 gehouden is om de roerende zaken die behoren tot de nalatenschap en zich onder hem bevinden, alsook de administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap, in het beheer te brengen van de executeur.

Gedaagde betwist dat hij tot de nalatenschap behorende roerende zaken onder zich heeft. Hij stelt dat hij eisers kort na het overlijden van erflaatster de gelegenheid heeft geboden om bezittingen van erflaatster mee te nemen uit diens woning. De familie van eisers en de executeur zijn toen door het huis gegaan en hebben aangewezen wat ze wilden hebben. Gedaagde heeft alles voor ze ingepakt en dat hebben ze opgehaald. De overige zaken zijn verkocht, naar de kringloopwinkel gebracht of weggegooid, aldus de advocaat van gedaagde.

Een en ander is door de executeur niet weersproken. Een boedelbeschrijving aan de hand waarvan kan worden nagegaan welke roerende zaken behoren tot de nalatenschap van erflaatster en wat daarmee is gebeurd, ontbreekt. Nu voorshands niet aannemelijk is dat gedaagde nog tot de nalatenschap behorende roerende zaken onder zich heeft en aldus in staat is om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – aan een veroordeling op dit punt te voldoen, moet de vordering in zoverre worden afgewezen.

Gedaagde heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij betalingsbewijzen betreffende uitgaven die zijn gedaan na het overlijden van erflaatster – zijnde administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap – onder zich heeft. Voor zover de vordering strekkende tot nakoming van verplichtingen uit hoofde van de beschikking van 24 mei 2017 ziet op het in het beheer van de executeur brengen van administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap zal deze daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn waarbinnen aan de veroordeling moet zijn voldaan op twee weken zal worden gesteld.

De vordering strekkende tot afgifte aan de executeur van de urn met daarin de as van erflaatster – die blijkens haar testament gecremeerd wilde worden – opdat deze in het familiegraf kan worden bijgezet, zal eveneens worden toegewezen. Gedaagde heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de urn onder zich heeft en dat hij bereid is de executeur in het bezit te stellen van de urn. Hij erkent dat met eisers is afgesproken dat de urn zal worden bijgezet in het familiegraf. De termijn waarbinnen aan de veroordeling moet zijn voldaan zal op twee weken worden gesteld.

Voor zover de vordering strekkende tot nakoming van verplichtingen uit hoofde van de beschikking d.d. 24 mei 2017 ziet op het afleggen van rekening en verantwoording, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:151 BW is een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd verplicht aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als (in artikel 4:161 BW) voor bewindvoerders is bepaald.

De wijze waarop rekening en verantwoording moet worden afgelegd, is door de wetgever niet nader geconcretiseerd. De voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat in ieder geval inzicht moet worden gegeven in de ontvangsten en uitgaven sinds het overlijden van de erflater en dat de ontvangsten en uitgaven moeten zijn gespecificeerd en zo mogelijk worden ondersteund door administratieve bescheiden.

De vraag die thans moet worden beantwoord, is of gedaagde op afdoende wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd. Gedaagde heeft – na het uitbrengen van de dagvaarding – aan de advocaat van de executeur een overzicht doen toekomen van de banksaldi bij overlijden van erflaatster, de door hem verkochte zaken en de opbrengsten daarvan, en de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het leeghalen van de woning van erflaatster. Gedaagde heeft op 9 juli 2017 per e-mail een toelichting gegeven op het overzicht.

Hij heeft geen inzicht gegeven in de ontvangsten en uitgaven op de bankrekeningen van de erflaatster. De executeur beschikt thans echter over bankafschriften betreffende die bankrekeningen, zo blijkt ook uit de producties. Gedaagde heeft ter zitting desgevraagd een toelichting hierop gegeven. Aldus heeft gedaagde naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht gegeven in de ontvangsten en uitgaven sinds het overlijden van erflaatster. De betalingsbewijzen die de na het overlijden van erflaatster gedane uitgaven ondersteunen zijn weliswaar niet in het beheer gebracht van de executeur, maar daartoe wordt gedaagde reeds veroordeeld.

Voor zover de executeur zich op het standpunt stelt dat gedaagde ten onrechte geldbedragen heeft opgenomen en overgeboekt van de gezamenlijke bankrekening van hemzelf en erflaatster alsook van de bankrekening van erflaatster, merkt de voorzieningenrechter nog op dat de executeur geen geldvordering heeft ingesteld en dat de vraag of zulks ten onrechte is gebeurd in de onderhavige procedure daardoor niet ter beoordeling voorligt.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100,00 voor iedere dag dat gedaagde niet aan de hoofdveroordelingen voldoet, met een maximum van € 2.500,00.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel of over de taken en bevoegdheden van een executeur in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.