Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een verzoek tot ontslag van de executeur en bewindvoerder in een nalatenschap.

Erflater heeft executeur benoemd en de nalatenschap is beneficiair aanvaard. Ruimschoots saldo?

Hangende de afwikkeling van de nalatenschap blijkt dat de goederen van de nalatenschap niet meer ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:202 lid 1 BW). De uitzondering op de vereffeningsplicht is dan niet meer van toepassing en de taak van de executeur is op grond van artikel 4:149 lid 1 BW geëindigd.

De erfgenaam is van mening dat sprake is van gewichtige redenen om tot ontslag van verweerster als executeur en bewindvoerder over te gaan.

Kort samengevat voert erfgenaam daartoe aan dat door verweerster in de uitoefening van haar taak als executeur handelingen zijn verricht dan wel nagelaten als gevolg waarvan erfgenaam geen vertrouwen meer heeft in de executeur en bewindvoerder.

De executeur verweert zich daartegen en betwist dat sprake is van gewichtige redenen om tot ontslag van haar als executeur en bewindvoerder over te gaan. De executeur is zich ervan bewust dat er van de zijde van de erfgenaam geen enkel vertrouwen is in haar handelen, vanwege een familieruzie enkele jaren geleden, echter zij wenst haar werkzaamheden voort te zetten omdat haar vader haar uitdrukkelijk verzocht heeft op te treden als executeur.

Verzoek tot ontslag van executeur en testamentair bewindvoerder

De rechter overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.

Als gevolg hiervan moet, op grond van artikel 4:195 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in beginsel de nalatenschap worden vereffend overeenkomstig het bepaalde in boek 4, titel 6, afdeling 3 BW.

Op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW behoeft de nalatenschap echter niet te worden vereffend volgens voormelde regels indien er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

Ter zitting heeft de executeur desgevraagd verklaard dat de nalatenschap thans niet meer ruimschoots toereikend is om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

Dat betekent dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:202 lid 1 sub a BW zodat de nalatenschap vereffend moet worden volgens de wet. Daarmee is de taak van verweerster als executeur op grond van artikel 4:149 lid 1 sub d BW geëindigd. Voorts betekent dit dat alle erfgenamen op grond van artikel 4:195 lid 1 BW vereffenaar zijn.

Nu de erfgenaam niet meer ontvankelijk is in zijn hoger beroep, kan zijn als wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon gedane verzoek tot ontslag van verweerster als bewindvoerder niet worden beoordeeld, zodat de beslissing van de kantonrechter voor zover het betreft het bewind over het erfdeel van de zoon in stand blijft.

De bezwaren van verzoekster richten zich in het bijzonder tegen het functioneren van verweerster als executeur.

Het is noch gesteld noch gebleken dat verweerster haar werkzaamheden sinds haar infunctietreding als bewindvoerder over het erfdeel van verzoekster heeft aangevangen.

Ter zake van het ontslag van verweerster als bewindvoerder voert de erfgenaam als grond aan de ernstig verstoorde verhouding tussen hen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechter gebleken dat in de relatie bewindvoerder en verzoekster sprake is van een zeer ernstige vertrouwensbreuk, nog voordat de bewindvoerder haar werkzaamheden als zodanig heeft aangevangen.

Dit heeft te maken met de verwijten die erfgenaam aan verweerster maakt ter zake van haar functioneren als executeur. Daardoor valt te verwachten dat in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater, waarbij de bewindvoerder als zodanig een taak heeft, alsmede in de gevolgen van het onderhavige bewind – ingesteld in het belang van de erfgenaam– na de verdeling van de nalatenschap van erflater diverse nieuwe bronnen van conflict zijn gelegen.

Bovendien is de vader van erfgenaam legitimaris in de nalatenschap van erflater (en schuldeiser anderzijds) en over de omvang van die vorderingen bestaat geschil tussen verweerster enerzijds en de vader van erfgenamen anderzijds.

De rechter acht het vorenstaande gewichtige redenen als bedoeld in artikel 4:164 lid 2 BW en zal daarom een nieuwe bewindvoerder benoemen.

Ongeacht het ontslag van de huidige bewindvoerder, blijft het in het belang van erfgenaam ingestelde bewind bestaan (artikel 4:178 BW) en zal de rechter voorzien in de vacature.

Opheffing kan worden verzocht vijf jaren na het overlijden van de erflater. Van onvoorziene omstandigheden of dat de rechthebbende zelf de onder bewind staande goederen kan besturen op verantwoorde wijze is noch gesteld noch gebleken.

Ter zitting heeft verweerster verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen beëindiging van het bewind. Op grond van het testament van erflater dient dat echter bij notariële akte te geschieden. De bestreden beschikking zal worden vernietigd waar het de benoeming van verweerster als bewindvoerder over het erfdeel van verzoekster betreft en een notaris zal worden benoemd als opvolgend bewindvoerder. Zij heeft zich daartoe bereid verklaard.

Het einde van de hoedanigheid als executeur brengt mee dat zij verplicht is rekening en verantwoording af te leggen aan degene die na haar bevoegd is tot het beheer, in dit geval de vereffenaars (artikel 4:151 BW). Hetzelfde geldt voor het einde van haar hoedanigheid van bewindvoerder over het erfdeel van verzoekster (artikel 4:161 BW).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en vereffening van een nalatenschap, over de taken en bevoegdheden van een executeur en bewindvoerder, over het ontslag van een executeur of bewindvoerder of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.