Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 januari 2018 uitspraak gedaan over een vordering van de executeur tot terugbetaling van onttrokken gelden uit de nalatenschap. Was er sprake van een onrechtmatige daad of van een lening?

Afwikkeling nalatenschap. Executeur vordert op grond van onrechtmatige daad van erfgenaam terugbetaling van circa 280.000 euro als onttrokken gelden van de nalatenschap. Volgens de erfgenaam heeft erflater hem twee keer 125.000,- geschonken.

Vast staat dat eiser in het testament van A tot executeur is benoemd en dat hij deze benoeming heeft aanvaard.

De executeur heeft onder meer tot taak om de goederen van de nalatenschap te beheren (artikel 4:144 lid 1 BW), waartoe ook behoort het innen van vorderingen die tot de nalatenschap behoren.

De vordering van eiser als executeur strekt ertoe om een aantal gestelde vorderingen van de nalatenschap van A op gedaagde als erfgenaam te innen. Gedaagde betwist het bestaan van deze vorderingen.

Nu de taak en het beheer van de executeur nog niet is voltooid (artikel 4:150 lid 1 BW), geldt dat eiser in zijn hoedanigheid van executeur (privatief) bevoegd is om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen (artikel 4:145 lid 2 BW).

De kern van het geschil van partijen betreft het de overboeking van € 125.000,- op 10 januari 2012 aan gedaagde.

Ten eerste is in geschil of het op 10 januari 2012 (door gedaagde op basis van de aan hem verleende volmacht) vanaf de bankrekening overgeboekte bedrag van € 125.000,- naar een bankrekening van gedaagde, heeft plaatsgevonden uit hoofde van een lening (standpunt van de executeur) of een schenking (standpunt van erfgenaam).

Onrechtmatige daad? Misbruik van omstandigheden?

De rechter oordeelt als volgt.

De executeur stelt dat de door of namens erfgenaam verrichte betalingen aan de erfgenaam in 2012 en 2013 zijn verricht door middel van onrechtmatig handelen van gedaagde als erfgenaam , dan wel misbruik van omstandigheden door van gedaagde als erfgenaam.

Artikel 6:162 lid 2 BW bepaalt dat als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Volgens artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

De rechter overweegt dat het op zichzelf bezien weliswaar opmerkelijk is dat de erfgenaam in 2012 en 2013 betalingen van in totaal circa € 280.000,– zonder duidelijk aanwijsbare directe tegenprestatie heeft ontvangen, maar het is op zich voorstelbaar dat deze verrichte betalingen destijds daadwerkelijk zijn gewild. Het enkele feit dat deze betalingen door erfgenaam zijn ontvangen, is onvoldoende om reeds daarom een onrechtmatige daad of misbruik van omstandigheden aan te nemen.

Op de executeur rust als eisende partij de stelplicht zodat hij voldoende concrete feiten en omstandigheden dient te stellen die het beroep op een door de erfgenaam gepleegde onrechtmatige daad, dan wel misbruik van omstandigheden kunnen dragen.

In dat kader is van deze stelplicht van de executeur is het volgende van belang.

In de eerste plaats is enkel relevant het handelen van de erfgenaam jegens de erflater. De vorderingen zijn immers gebaseerd op onrechtmatig handelen en misbruik van omstandigheden van de erfgenaam jegens erflater.

Vast staat dat de erflater, ondanks zijn steeds slechter wordende lichamelijke gezondheid in zijn laatste levensfase, tot aan zijn overlijden in april 2014 helder van geest en daarmee wilsbekwaam is geweest.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat vanwege gezondheidsproblemen van erflater en een langdurige ziekenhuisopname, de erflater een notariële volmacht hebben verstrekt aan de erfgenaam.

Uit de stellingen van de executeur blijkt op geen enkele wijze dat de erfgenaam hierbij druk op erflater heeft uitgeoefend, dan wel dat erflater deze volmacht niet uit vrije wil heeft verleend. De volmacht is verleend ten overstaan van een notaris, waarvoor geldt dat deze notaris op dat moment al de vaste notaris was van erflater ten overstaan van wie hij al in 2007 zijn testament had doen opmaken. Hetzelfde geldt voor de op dezelfde dag door erflater gewijzigde testament.

Ook hier geldt dat uit de stellingen van de executeur niet concreet blijkt dat de erfgenaam in de visie van de executeur kennelijk in samenspanning met de betrokken notaris druk heeft uitgeoefend op erflater waardoor dit testament niet uit vrije wil tot stand is gekomen.

De erfgenaam heeft op 10 januari 2012, gebruikmakend van de aan hem verleende volmacht, € 125.000,- naar hemzelf overgemaakt onder vermelding van overbruggingslening”. Uit niets blijkt dat erflater daarna op enig moment heeft laten blijken dat deze overboeking onrechtmatig of met misbruik van omstandigheden heeft plaatsgevonden.

Verder is van belang dat erflater zelf heeft besloten in mei 2012 om zijn testament aan te passen, en zijn echtgenote als enig erfgenaam te benoemen, en de aan gedaagde verleende volmacht in te trekken. Ook hieruit blijkt op zichzelf niet dat het daaraan voorafgaande handelen van erfgenaam jegens erflater als onrechtmatig of misbruik van omstandigheden heeft te gelden.

Eerst geruime tijd daarna heeft de erflater de schenkingsakte ondertekend en op 15 oktober 2013 heeft erflater zelf een bedrag van € 125.000,– aan gedaagde overgemaakt onder vermelding van “Schenkingsovereenkomst 2 oktober 2013”.

De rechter begrijpt uit de overgelegde stukken dat eerst na het overlijden van erflater namens haar erfgenamen het standpunt is ingenomen dat sprake is van onrechtmatig handelen van, dan wel misbruik van omstandigheden door gedaagde. Deze stellingname is in de overgelegde verklaringen en buitengerechtelijke correspondentie evenmin met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat deze personen geen van allen direct betrokken waren bij de bedoelde rechtshandelingen in 2012 en 2013 en niets verklaren over enig concreet handelen van erfgenaam jegens erflater.

In het licht van het voorgaande is de rechter van oordeel dat de executeur, op wie, zoals gezegd, in dit geding als eisende partij de stelplicht rust, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die het beroep op een door erfgenaam gepleegde onrechtmatige daad, dan wel misbruik van omstandigheden ter zake van de betalingen in 2012 en 2013 kunnen dragen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur of over het onttrekken van gelden uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.