In art. 3:194 BW is geregeld dat de deelgenoot die een goed opzettelijk verzwijgt, zijn aandeel in dat goed verbeurd. Dus: stel, er zijn vijf erfgenamen en er is één erfgenaam A die weet heeft van een bankrekening van erflater en ook toegang heeft tot die bankrekening. Als de boedelbeschrijving wordt gemaakt verzwijgt deze erfgenaam de bankrekening. Hij houdt het saldo van € 100.000,00 zelf. Eén van de andere erfgenamen (B t/m E) ontdekt dit. De voor de hand liggende uitkomst is dan dat niet A t/m E ieder € 20.0000,00 krijgen, maar B t/m E ieder € 25.000,00. A dient het hele bedrag in te leveren en deelt niet meer mee. Dit is de “straf” voor het verzwijgen van de bankrekening.

Het artikel is lang onbenut gebleven hoewel onze advocaat erfrecht er eerder succesvol over heeft geprocedeerd. Lees hier die uitspraak.

Op 22 december 2017 oordeelde de Hoge Raad over de vraag of het voor de toepassing van dit artikel niet alleen nodig is dat opzet wordt aangetoond, maar of degene die verzwijgt ook het oogmerk moet hebben gehad om de anderen te benadelen.

De zaak 

Aan de orde is een zaak waarin neef N de door de rechtbank benoemde bewindvoerder van zijn tante is. Als tante overlijdt is de moeder van N erfgenaam voor de helft en de 10 kinderen van de overleden broer van de moeder en tante ieder voor 1/20ste deel.

Tante overlijdt in 2006. Later blijkt dat tante in 2005 een overeenkomst heeft gesloten met N ter zake een Zwitserse bankrekening van tante welke rekening een saldo kende van € 442.000,00. Dit bedrag is, aldus, N en zijn moeder, door tante geschonken aan de moeder. Over de schenking is in 2009 belasting betaald.

De kantonrechter

Na het overlijden van tante heeft N in 2008 rekening en verantwoording afgelegd. De kantonrechter keurt de rekening en verantwoording niet goed:

Vooral de gang van zaken met betrekking tot het vermogen uit Luxemburg van – naar bewindvoerder stelt – € 400.000,- roept ernstige twijfels omtrent een juist beheer op. Van belang daarbij acht de kantonrechter dat de bewindvoerder, hoewel hij ten tijde van het opmaken van de beginstaat op 16 augustus 2005 van de aanwezigheid van het vermogen op de hoogte was, dit niet op de staat heeft vermeld.
– Ten tweede had bewindvoerder voor de schenking van dit vermogen door rechthebbende aan zijn moeder in ieder geval machtiging moeten vragen. Relevant acht de kantonrechter dat de reden van de instelling van het bewind was dat rechthebbende aan dementie leed.”

N gaat in hoger beroep. Het Hof:

“Voorts is het hof van oordeel dat [verweerder 1] een machtiging had moeten vragen voor de schenking van de gelden op de Luxemburgse bankrekening, zijnde een bedrag van ten minste € 400.000,–, aan zijn moeder. Het hof passeert de stelling van [verweerder 1] dat de rechthebbende niet aan dementie leed of dat er anders slechts sprake was van een beginstadium van dementie.
(…)
Nu het de taak van een bewindvoerder is om het vermogen van de rechthebbende te beschermen, had het, gezien de geestelijke toestand van de rechthebbende, op de weg van [verweerder 1] gelegen om een machtiging te vragen voor het doen van de schenking. Dat de rechthebbende op het moment van de schenking helder was en dat de schenking haar uitdrukkelijke wens was, zoals [verweerder 1] stelt, maakt dit – gelet op de beschermingstaak van de bewindvoerder – niet anders.
Nu [verweerder 1] heeft nagelaten een machtiging te vragen voor de schenking is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de eindrekening reeds op dit punt niet kan worden goedgekeurd. (…)”.

De rechtbank

Vervolgens wordt er geprocedeerd over de nalatenschap van T. De rechtbank is het met eisers eens, zij heeft “voor recht verklaard dat de moeder haar aandeel in het bedrag van € 442.000,–, zoals door haar in ontvangst werd genomen van [verweerder 1], heeft verbeurd. Het Hof vernietigd dit vonnis.

Aan de orde is bij de Hoge Raad de vraag of voor de toepassing van art. 3:194 BW -het eigen aandeel in een goed verbeuren bij verzwijgen van dit goed- vereist is dat de deelgenoot met het verzwijgen het oogmerk had om rechten van schuldeisers of deelgenoten te “verkorten”. Het antwoord van de Hoge Raad op 22 december 2017 is “Nee“.

De tekst van art. 3:194 lid 2 BW biedt geen steun voor de opvatting dat van ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van tot de gemeenschap behorende goederen, slechts sprake kan zijn indien de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten.
Blijkens de wetsgeschiedenis dient het woord ‘opzettelijk’ ertoe om tot uitdrukking te brengen dat (de sanctie van) art. 3:194 lid 2 BW slechts geldt indien de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630). Dit brengt mee dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565, NJ 2017/254, rov. 3.3.2). De wetsgeschiedenis bevat echter geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het woord ‘opzettelijk’ tevens ertoe dient om (de sanctie van) art. 3:194 lid 2 BW te beperken tot het geval waarin de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten.
In de wetsgeschiedenis is onder ogen gezien dat de sanctie van het verbeuren van een aandeel in een goed, die art. 3:194 lid 2 BW verbindt aan het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van dat goed, ingrijpend is. Een zware sanctie is echter op zijn plaats geacht, omdat in de hiervoor bedoelde gevallen sprake is van een ernstige, maar in een situatie van een gemeenschap, gemakkelijk te plegen vorm van bedrog (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). In aansluiting hierop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 3:194 lid 2 BW ertoe strekt oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen, omdat in rechtsverhoudingen als waarop die bepaling betrekking heeft, de deelgenoten immers in de regel in hoge mate afhankelijk zijn van de juistheid en volledigheid van de over en weer door hen verschafte inlichtingen omtrent het bestaan van tot de gemeenschap behorende goederen (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565, NJ 2017/254, rov. 3.5.2).

Ten slotte is van belang dat, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op art. 3:194 lid 2 BW, rusten op degene die zich op deze bepaling beroept, en dat aan het bewijs van het daarin bedoelde opzet hoge eisen moeten worden gesteld (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565, NJ 2017/254, rov. 3.4.2, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). Bij die stand van zaken zou de reikwijdte van art. 3:194 lid 2 BW te zeer worden beperkt, indien een deelgenoot of een schuldeiser voor een geslaagd beroep op art. 3:194 lid 2 BW tevens feiten en omstandigheden zou moeten stellen en bewijzen waaruit volgt dat bij de deelgenoot die tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, sprake is van het oogmerk om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten.
Op grond van het vorenstaande kan niet worden aanvaard dat het begrip ‘opzettelijk’ als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW aldus moet worden verstaan dat is vereist dat de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.

Lees hier de hele uitspraak.