Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 december 2017 uitspraak gedaan over een vordering van de executeur tot herroeping van een vonnis.

Executeur stelt dat erfgenamen bedrog hebben gepleegd, dan wel stukken van beslissende aard hebben achtergehouden. Vordering tot herroeping afgewezen.

Noch de grond als bedoeld in artikel 382 aanhef en sub a Rv (bedrog), noch de grond als bedoeld in artikel 382 aanhef en sub c Rv (achterhouden van stukken van beslissende aard) juist bevonden.

Bij vonnis van 23 april 2008 van de rechtbank Haarlem zijn de vorderingen van de erfgenamen in grotendeels toegewezen en is de vordering van de executeur afgewezen.

Dit vonnis is door het hof bekrachtigd met gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen in incidenteel appel van de erfgenamen bij het arrest van 29 september 2009 waarvan thans de herroeping wordt gevorderd.

Ten aanzien van de vordering van de executeur op erflater heeft het hof het volgende overwogen:

“De executeur is opgetreden als executeur van de nalatenschap van erflater, een nalatenschap die qua omvang niet onaanzienlijk is.

In zijn hoedanigheid van executeur had en heeft hij jegens de erfgenamen een bijzondere zorgplicht met betrekking tot de in beheer aan hem toegekende goederen.

De beheerstaak schept bovendien niet alleen een bevoegdheid, maar ook verplichtingen voor de executeur, in het bijzonder jegens de erfgenamen.

Hij behoort hen volledig en naar waarheid te informeren en inzicht te geven op de vragen die hem in zijn hoedanigheid van executeur door de erven gesteld worden.

Hun rechtsverhouding wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid die zij ten opzichte van elkaar in acht dienen te nemen, ook na het ontslag.

In het licht van het voorgaande is het opmerkelijk dat de executeur bij de aanvaarding van zijn benoeming tot executeur jegens de erfgenamen geen melding heeft gemaakt van het bestaan van de onderhavige vordering.

Nog opmerkelijker is het dat de executeur zijn vordering op erflater niet als schuld heeft opgenomen in de definitieve aangifte successierechten die hij op 30 maart 2006, bijna twee jaar na het overlijden van erflater, heeft ingediend. Pas nadat zijn ontslag als executeur in zicht kwam, heeft hij de vordering gemeld.

Gelet op het voorgaande en het feit dat de erfgenamen onbetwist hebben gesteld dat in de administratie van erflater niet van een dergelijke vordering blijkt, kan van de executeur verlangd worden dat hij antwoord geeft op de door de erfgenamen gestelde vragen en de vordering onderbouwt, en niet alleen verwijst naar de vaststellingsovereenkomst die op zichzelf al vragen oproept en niet uitblinkt in helderheid.

Daargelaten de al dan niet echtheid van de vaststellingsovereenkomst die voor de beoordeling van de onderhavige vordering in dit stadium van de procedure niet van belang is, kan van de executeur die eerst na het indienen van de aangifte voor het recht van successie en kort voor zijn ontslag als executeur van deze schuld op de nalatenschap melding heeft gemaakt en met de vaststellingsovereenkomst is gekomen, verlangd worden dat hij van alle leningen en verkopen waar de vaststellingsovereenkomst naar verwijst, bewijsstukken overlegt, althans een begin van bewijs daarvan.

De executeur laat dit echter na. De brief van de ING Bank te Genève van 31 oktober 2008 is met betrekking tot de inhoud van de vaststellingsovereenkomst volstrekt nietszeggend. De executeur komt een beroep op de vaststellingsovereenkomst dan ook niet toe. Het algemene bewijsaanbod dat de executeur op dit punt in hoger beroep uiterst subsidiair doet, zal het hof passeren. Het had in hoger beroep, gelet op alle geschetste feiten en omstandigheden, op de weg van de executeur gelegen dit bewijsaanbod op zijn minst te onderbouwen met enig begin van bewijs.”

De executeur vordert bij dagvaarding van 15 augustus 2014 herroeping van het arrest van 29 september 2009 voor zover daarbij de afwijzing van zijn vordering is bekrachtigd, op grond van bedrog door de erfgenamen in het geding gepleegd (artikel 382 aanhef en sub a Rv) respectievelijk op grond van door de erfgenamen in het geding achterhouden van stukken van beslissende aard (artikel 382 aanhef en sub c Rv).

Het hof heeft bij het arrest van 29 september 2009 op vordering van de erfgenamen de executeur veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hem over de nalatenschap van erflater gevoerde beheer, met name over de besteding van een totaal bedrag van € 1.932.500,- dat hij als executeur heeft overgeboekt naar de rekening van A B.V., waarvan de executeur enig aandeelhouder en bestuurder is, en voorts tot afgifte aan de erfgenamen van een aantal stukken.

Herroeping van vonnis? Executeur stelt dat erfgenamen bedrog hebben gepleegd, dan wel stukken van beslissende aard hebben achtergehouden.

De rechter oordeelt als volgt.

De door het hof bij het arrest aan de executeur opgelegde verplichtingen zien op de taakuitoefening van de executeur.

Thans ligt aan het hof ter beoordeling voor de vraag of het arrest van 29 september 2009 dient te worden herroepen voor zover daarin een oordeel is gegeven over de vordering van de executeur op erflater uit hoofde van een geldlening, en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, in een later stadium de vraag of deze vordering alsnog dient te worden toegewezen. De door het hof aan de executeur opgelegde verplichtingen uit hoofde van zijn functie als executeur en de vorderingen van de executeur op erflater vloeien derhalve niet voort uit dezelfde rechtsverhouding.

Voor zover de erfgenamen hebben bedoeld te betogen dat het hof de behandeling van de vordering tot herroeping dient op te schorten omdat de executeur niet aan zijn door het hof opgelegde verplichtingen heeft voldaan, ontbreekt daarvoor een rechtsgrond, ook indien sprake zou zijn van schuldeisersverzuim. Dit laatste is overigens niet het geval, nu gesteld noch gebleken is dat nakoming van een verbintenis van de erfgenamen wordt gehinderd doordat de executeur niet heeft voldaan aan de door het hof aan hem opgelegde verplichtingen.

Zoals gezegd ligt thans allereerst de vraag voor of het arrest van 29 september 2009 moet worden herroepen voor zover daarbij de vordering van de executeur op erflater is afgewezen, en in een later stadium de vraag of die vordering alsnog moet worden toegewezen.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vermag de rechter niet in te zien dat de erfgenamen in de onderhavige zaak in hun verdedigingspositie zijn benadeeld doordat de executeur niet heeft voldaan aan de hem door het hof in verband met de uitoefening van zijn taak als executeur opgelegde verplichtingen. Het beroep van de erfgenamen op rechtsverwerking en handelen van de executeur in strijd met artikel 21 Rv dient daarop te stranden.

De rechter stelt voorop dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op de executeur de stelplicht en de bewijslast rust van de door hem gestelde vordering op erflater.

In de overweging in het arrest van 29 september 2009 die heeft geleid tot de conclusie dat de vordering van de executeur moet worden afgewezen, heeft het hof geoordeeld dat de executeur zijn vordering onvoldoende had onderbouwd en daarmee niet had voldaan aan zijn stelplicht.

Bij dit oordeel heeft het hof laten meewegen dat de executeur bij de aanvaarding van zijn benoeming tot executeur niet aan de erfgenamen heeft gemeld dat hij een vordering op erflater had en deze evenmin als schuld heeft opgenomen in de aangifte successierecht van 30 maart 2006, maar de vordering pas heeft gemeld nadat zijn ontslag als executeur in zicht kwam, dat de vaststellingsovereenkomst vragen oproept, en dat de erfgenamen onbetwist hebben gesteld dat in de administratie van erflater niet van een dergelijke vordering blijkt.

In het licht van de andere genoemde feiten en omstandigheden in samenhang met de stelplicht van de executeur is de omstandigheid dat de executeur niet heeft betwist dat in de administratie van erflater niet van de vordering blijkt, niet beslissend geweest voor het oordeel van het hof. Die omstandigheid vormde slechts een bijkomend argument.

Daarbij komt dat het hof niet de administratie zelf heeft beoordeeld en meegewogen, maar uitsluitend dat de erfgenamen onbetwist hebben gesteld dat in die administratie van de vordering niet blijkt. De stelling van de executeur dat lezing van het arrest leert dat het hof groot gewicht toekent aan de administratie en het “ontbreken” daarin van zijn vordering kan daarom geen doel treffen. Reeds om die reden kan niet worden geoordeeld dat de voor herroeping aangevoerde grond als bedoeld in artikel 382 aanhef en sub a Rv juist is.

De rechter zal de vordering tot herroeping afwijzen. De executeur zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over het afleggen van rekening en verantwoording van een executeur, over het ontslag van een executeur of over het herroepen van een vonnis, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.