Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 februari 2018 uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap. Testamentaire ouderlijke boedelverdeling onder ontbindende voorwaarde. Fideicommis de residuo. Processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt in zijn testament van 23 oktober 1996.

Hij heeft zijn echtgenote voor het 1/100e aandeel en zijn zes kinderen voor het resterende aandeel gezamenlijk tot zijn erfgenamen benoemd met plaatsvervulling volgens de wet bij vooroverlijden van een kind.

Erflater heeft in zijn testament op de voet van artikel 1167 BW (oud) een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en alle goederen van zijn nalatenschap aan zijn echtgenote toegedeeld onder de verplichting alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen en aan ieder van de kinderen diens netto-erfdeel in geld te betalen en bepaald dat de erfdelen van de kinderen onder meer opeisbaar zijn bij het overlijden van de echtgenote van erflater.

Erflater heeft ook bepaald dat zijn erfgenamen binnen een jaar na zijn overlijden een andere verdeling kunnen overeenkomen dan de door hem gemaakte ouderlijke boedelverdeling.

Erflater heeft zijn echtgenote benoemd tot executeur in zijn nalatenschap. Zij heeft haar benoeming tot executeur aanvaard.

Verdeling nalatenschap. Ouderlijke boedelverdeling onder ontbindende voorwaarde. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Executeur.

De rechter oordeelt als volgt.

Gelet op de bewoordingen van het testament is in deze zaak sprake van een fideicommissaire erfstelling, waarbij zowel de bezwaarde als de verwachters erfgenaam zijn in de nalatenschap van erflater.

De bezwaarde is erfgenaam onder de ontbindend voorwaarde dat hij overlijdt en de verwachter hem overleeft; de verwachters zijn erfgenamen onder de daarbij aansluitende opschortende voorwaarde dat zij de bezwaarde overleven.

Bij het overlijden van erflater zijn de bezwaarde erfgenamen en de echtgenote onder algemene titel opgevolgd in het vermogen van erflater.

Zij zijn vervolgens overgegaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater.

Bij het overlijden van de bezwaarde zijn haar vijf broers en zussen onder algemene titel opgevolgd in hetgeen resteert krachtens erfrecht van de erflater verkregen vermogen (fideicommis de residuo).

De nalatenschap van erflater is aldus eerst overgegaan op zijn echtgenote en zijn zes kinderen en vervolgens – voor zover het gaat om hetgeen onvervreemd en onverteerd is gebleven van hetgeen daarvan is toegedeeld– van erflater op de vijf verwachters.

De erfgenaam is samen met zijn broers en zussen deelgenoot in deze (fideicommissaire) nalatenschap. Zowel het erfrecht zoals dat gold tot 1 januari 2003 als het thans geldende erfrecht leiden tot deze gevolgtrekkingen.

Voor de omvang van die nalatenschap is van belang of de schenkingen aan de erfgenaam geldig zijn of niet.

Bij het beroep van de andere erfgenamen op de nietigheid van die beide schenkingen is het noodzakelijk allen tegen wie op deze nietigheid een beroep moet worden gedaan in de procedure te betrekken.

Dat zijn de andere deelgenoten in die (fideicommissaire) nalatenschap en de executeur in die nalatenschap (de echtgenote van erflater en de moeder van partijen), indien deze nog in functie is en ook de bewindvoerders.

Er is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (Hoge Raad, 10 maart 2017, HR:2017:411).

De rechter zal de erfgenaam de gelegenheid geven op de voet van artikel 118 Rv zijn broer als deelgenoot en bewindvoerder, zijn zus en zijn moeder, indien deze nog als executeur in functie is, alsnog in het geding te betrekken.

Indien erfgenaam niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruik maakt, dan zal de rechter hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering een verklaring voor recht te geven dat de schenkingen nietig of ongeldig zijn.

De overige vorderingen strekken ertoe dat de overige erfgenamen aan erfgenaam een bedrag in geld betaalt ter grootte van 1/5e deel van de (fideicommissaire) nalatenschap. De vraag rijst wat de rechtsgrond is van die vorderingen.

Dat erfgenaam voor 1/5e deel deelgenoot in die nalatenschap is, is op zich onvoldoende om te komen tot toewijzing van die vorderingen.

In dit geval berust de gehele (fideicommissaire) nalatenschap, wat daarvan ook de omvang moge zijn, onder de andere erfgenaam. Als de erfgenaam gelden of goederen van die nalatenschap wil opvorderen bij dient hij dat te doen op de voet van artikel 4:183 BW (hereditatis petitio).

Hij kan daartoe een rechtsvordering instellen zonder medewerking van de andere deelgenoten, maar alleen als hij die vordering instelt ten behoeve van de nalatenschap (artikel 3:171 BW).

Dat heeft hij hier niet gedaan. Hij heeft de vordering alleen ingesteld ten behoeve van zichzelf en is daarin dan ook niet-ontvankelijk.

Anders dan onder het oude recht (artikel 4:881 lid 2 BW (oud)) kan de erfgenaam niet zijn aandeel in de nalatenschap opvorderen bij de andere erfgenamen. Bovendien is hier mogelijk nog een andere reden waarom hij deze vordering niet kan instellen.

Indien zijn moeder nog als executeur in functie is, heeft zij het beheer van de fideicommissaire nalatenschap en komt haar met uitsluiting van de erfgenamen en de bewindvoerders de hereditatis petitio toe.

In dit geval is ook geen sprake van een verbintenis van de moeder om aan elk van de andere deelgenoten een bedrag in geld te betalen ter grootte van hun aandeel in de nalatenschap. Dat de nalatenschap onder haar berust roept nog niet een dergelijke verbintenis in het leven.

De rechter houdt het dan ook ervoor dat de erfgenaam met zijn vordering kennelijk niet het opvorderen van de goederen van de nalatenschap beoogt of betaling van een reeds bestaande verbintenis van moeder jegens hem, maar een verdeling van de nalatenschap waarbij aan hem een bedrag in geld ter grootte van 1/5e deel van die nalatenschap wordt toegedeeld.

Voor de vaststelling van die verdeling is het net als voor de vraag naar de geldigheid van de schenkingen noodzakelijk alle deelgenoten en bewindvoerders in de (fideicommissaire) nalatenschap in de procedure te betrekken. Ook hier is sprake van een de processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Erflater heeft een executeur benoemd en een bewind ingesteld over goederen van zijn nalatenschap.

Het is de vraag wat de betekenis daarvan is voor deze procedure. Voor de executeur is die vraag alleen van belang als deze nog in functie is. De rechter zal – in het geval de erfgenaam ervoor kiest zijn broers en zijn zus en mogelijk zijn moeder in de procedure te betrekken – een comparitie van partijen gelasten om deze vraag met partijen te bespreken.

Deze comparitie zal ook worden benut om de mogelijkheden voor een vergelijk tussen partijen te verkennen en om inlichtingen in te winnen, onder meer over de samenstelling van de fideicommissaire nalatenschap en over de uitleg van het woord schenking in de zin in het testament van erflater die luidt: “De verkrijger onder de last van fideicommis de residuo kan niet bij schenking over de hem onder die last nagelaten goederen beschikken, anders dan aan personen die afstammelingen van mij zijn.

 Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taak en bevoegdheden van een executeur of over een processueel ondeelbare rechtsverhouding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.