Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 september 2018 uitspraak gedaan over een vordering van de executeur op een deelgenoot in een nalatenschap.
Partijen zijn broers en zus van elkaar. Op 8 januari 1987 heeft hun vader de boerderij, bestaande uit erf, gebouwen en omliggende cultuurgronden, verpacht aan geïntimeerde .
Vader is op 20 mei 1993 overleden waarbij aan moeder het vruchtgebruik van de roerende en onroerende zaken is gelegateerd. Moeder heeft de pachtovereenkomst met geïntimeerde voortgezet..
Moeder is op 6 februari 2015 overleden. Appellanten zijn bij testament benoemd als executeurs. Zij hebben geïntimeerde verzocht om inzicht te bieden in zijn bedrijfsvoering, maar hij heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.
Appellanten treden blijkens de inleidende dagvaarding op in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap van hun moeder en voor zover één van de vorderingen de nalatenschap van vader betreft, op grond van artikel 3:171 BW.
De vorderingen richten zich tegen geïntimeerde. De tweede geïntimeerde is in de procedure betrokken als mede-erfgenaam. De pachtkamer heeft geoordeeld dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tegen de erfgenaam en daar hebben zij niet tegen gegriefd.
In hoger beroep gaat het om de vorderingen tegen de eerste geïntimeerde. Het hoger beroep keert zich tegen de afwijzing door de pachtkamer van de vorderingen tegen geïntimeerde tot betaling van achterstallige pachtbetalingen en de door hem gerealiseerde waarde van het melkquotum.
De tweede grief betreft een geldvordering van de gemeenschap op de grondslag dat geïntimeerde de melkquotum van vader zou hebben vervreemd. Het gaat dan ook alleen nog om geldvorderingen ten behoeve van de gemeenschap op geïntimeerde als deelgenoot van de gemeenschap.
Executeur. Vordering op een deelgenoot. Beheer en verdeling van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Vorderingen van de gemeenschap op een deelgenoot dienen bij de verdeling aan de orde te komen (art. 3:184 BW), waartoe eventueel dan ook een beslissing door de (gewone) rechter kan worden ingeroepen (art. 3:185 BW).
Dat kan anders zijn indien de vordering zich naar zijn aard er niet voor leent om in de verdeling te worden betrokken of indien het instellen van de rechtsvordering geen uitstel kan lijden (laatstelijk Hoge Raad 6 april 2018, HR:2018:535). Daarvan is in dit geval niet gebleken.
Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten gesteld of gebleken die meebrengen dat het hof (thans) vanwege zijn bijzondere deskundigheid van het pachtprijzenbesluit c.a. ter voorlichting van de verdelingsrechter de pachtprijs (nader) zou moeten vaststellen.
De geschillen tussen partijen liggen voornamelijk op het vlak van verplichtingen uit de pachtverhouding tussen moeder en geïntimeerde, althans een vermeende afstand van recht door moeder en de omvang van het gepachte in relatie tot de pachtprijs.
Ook in het geschil omtrent afdracht van de economische waarde van het melkquotum is geen bijzondere pachtexpertise nodig.
Vast staat dat geen melkquotum samenhangt met het gepachte (zie daarvoor de pachtovereenkomst) en geïntimeerden hebben bestreden dat vader beschikte over melkquotum.
Voor zover appellanten de vorderingen hebben ingesteld namens de gemeenschap kunnen zij daarin dan ook niet bij de pachtkamer worden ontvangen.
Voor zover appellanten optreden in hun hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap geldt het volgende.
Artikel 4:147 lid 1 BW bepaalt:
“De executeur is bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde lasten.”
De vorderingen waar het in dit geding om gaat, zijn door appellanten beheerde goederen van de gemeenschap.
Het is het hof niet gebleken dat er schulden zijn van de nalatenschap of lasten in de voormelde zin, zodat van de bevoegdheid van appellanten om in hun hoedanigheid van executeurs de onderhavige vorderingen te gelde te maken vooralsnog niet is gebleken.
Uit het voorgaande volgt vooralsnog dat appellanten niet in hun vorderingen bij de pachtkamer kunnen worden ontvangen.
Voordat het hof daarop beslist, zullen appellanten in de gelegenheid worden gesteld om zich (uitsluitend) daarover bij akte uit te laten. Geïntimeerden zullen daarop bij antwoordakte mogen reageren.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het beheer en het te gelde maken van goederen uit de nalatenschap door de executeur of over het procederen door de executeur namens de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.