De Rechtbank Rotterdam heeft op 7 september 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de rechter rechtsmacht toekwam bij een verzoek tot de benoeming van een vereffenaar.
Verzoekster verzoekt om op grond van artikel 4:204 lid 1 sub 1 BW een vereffenaar te benoemen in de nalatenschap van erflater.
Zij legt aan dit verzoek het volgende ten grondslag.
Verzoekster is schuldeiser van de nalatenschap, want zij heeft een vordering op de nalatenschap ten bedrage van € 4.666,77, bestaande uit met name niet betaalde maandelijkse VVE-bijdragen.
De nalatenschap wordt niet door een executeur beheert en de erfgenamen laten deze geheel onbeheerd, zodat een vereffenaar benoemd moet worden om de woning te verkopen.
Erfrecht. Vereffening. Verzoek tot benoeming van een vereffenaar. IPR. BW Boek 10. Rechtsmacht. Rv. Toepasselijk recht. Gewone verblijfplaats. Nauwere band. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Erflater is in land A overleden.
Deze procedure heeft daarom een internationaal karakter.
Gelet op de woonplaats van verzoekster te A, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Rv bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Voordat toegekomen kan worden aan de vraag of (naar Nederlands recht) een vereffenaar benoemd kan worden, moet eerst vastgesteld worden welk recht van toepassing is op de vereffening van de nalatenschap.
De nalatenschap van erflater is opengevallen tussen 1 oktober 1996 en 17 augustus 2015.
Volgens artikel 10:152 lid 5 BW moet naar artikel 10:149 lid 1 BW worden gekeken om te beoordelen welk recht van toepassing is op de vereffening.
Op grond van artikel 10:149 lid 1 BW wordt de vereffening beheerst door het Nederlandse recht indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had.
De wet geeft geen omschrijving van wat onder ‘gewone verblijfplaats’ moet worden verstaan.
In het algemeen wordt onder gewone verblijfplaats verstaan: het land waar iemand, alle feitelijke omstandigheden in aanmerking genomen, het centrum van zijn maatschappelijk leven heeft.
Bij de vaststelling van iemands gewone verblijfplaats worden de duurzaamheid van het verblijf en de bedoelingen van betrokkene in aanmerking genomen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat erflater in A is overleden en dat zijn laatst bekende woonadres in A was.
Uit het overgelegde testament van erflater blijkt dat erflater ten tijde van het opmaken van dat testament, 8 december 1977, woonde te A.
Erflater was daarnaast eigenaar van de woning die zich in Nederland bevindt.
De griffier heeft gelet op het voorgaande verzoekster in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Volgens verzoekster is erflater in A gaan wonen, maar verbleef hij ook met enige regelmaat voor langere periodes in Nederland.
Het is voor verzoekster niet te volgen waar erflater zijn gewone verblijfplaats had, respectievelijk waar hij feitelijk op enig moment al dan niet verbleef.
Verzoekster heeft daarnaast toegelicht dat zij veel overlast ervaart doordat de woning sinds 2011 grotendeels onbewoond is, want met grote regelmaat wordt het appartement gekraakt.
Volgens verzoekster is er in land A geen partij die zich met de vereffening van de nalatenschap van erflater bezighoudt en is er geen indicatie dat dit op enig moment wel gaat gebeuren.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat de laatste gewone verblijfplaats van erflater ten tijde van zijn overlijden zich in land A bevond.
Erflater bezat weliswaar de woning in Nederland, maar uit de toelichting van verzoekster blijkt onvoldoende dat het centrum van zijn maatschappelijke en economische leven in Nederland lag.
Erflater woonde in land A.
Het is onbekend hoe lang hij daar gewoond heeft.
Het is echter aannemelijk dat erflater in ieder geval al sinds 1977 in land A woonde, omdat in het testament uit 1977 staat dat erflater in land A woonde en de rechtbank erflater niet kan vinden in de Brp, omdat hij daarin niet geregistreerd staat.
Ook is de dochter niet geregistreerd in de Brp.
Het enkele feit dat erflater een woning had in Nederland en daar met enige regelmaat voor langere periodes verbleef is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
De rechtbank begrijpt dat het voor verzoekster lastig is om de gewone verblijfplaats van verzoekster te onderbouwen.
Gelet echter op de nu bekende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat Nederland de gewone verblijfplaats van erflater was.
De rechtbank kan hier niet aan voorbijgaan alleen omdat verzoekster overlast ervaart omdat de woning onbeheerd en de schuld onbetaald blijft.
Het beroep van verzoekster op de uitzonderingsbepaling van artikel 21 lid 2 van de Europese Erfrechtverordening (nr. 650/2012) slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin.
De Europese Erfrechtverordening is namelijk gelet op de overlijdensdatum van erflater niet van toepassing op de nalatenschap van erflater.
Ook als aansluiting bij dit artikel wordt gezocht, wat verzoekster wil, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op dit artikel faalt.
In dit artikel staat namelijk dat indien uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de erflater op het tijdstip van overlijden een kennelijke nauwere band had met een andere staat dan de staat van zijn gewone verblijfplaats, het recht van die andere staat van toepassing is op de erfopvolging.
Onvoldoende is echter gebleken dat erflater een nauwere band had met Nederland dan met land A, zodat deze uitzondering niet van toepassing is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Nederlandse recht niet op de vereffening van de nalatenschap van erflater van toepassing is, omdat erflater niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Verzoekster heeft artikel 4:204 BW aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
Omdat het Nederlandse recht niet van toepassing is, is benoeming van een vereffenaar naar Nederlands recht niet mogelijk.
Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.