De Rechtbank Rotterdam heeft op 17 februari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of tussenkomst van een vereffenaar in een lopend geding mogelijk was.

Bij beschikking van 29 oktober 2019 van deze rechtbank is mr. A, op verzoek van eisers, benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater.

Eisers vorderen om bij vonnis te verklaren voor recht dat de erfgenamen van de erflater op de voet van artikel 6:74 BW (toerekenbare tekortkoming door de erflater in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst) dan wel op de voet van artikel 6:162 BW (onrechtmatig handelen/nalaten van de erflater) aansprakelijk zijn voor de door eisers geleden en nog te lijden (im)materiële schade,  en de erfgenamen van de erflater te veroordelen tot betaling van de door eisers geleden en nog te lijden (im)materiële schade, nader op te maken bij staat, althans de schade vast te stellen op een redelijk bedrag.

De vereffenaar voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

Eisers stellen dat de conclusie van antwoord van de vereffenaar met de daarin ingenomen standpunten, in het bijzonder het beroep op verjaring, in de onderhavige procedure buiten beschouwing gelaten dient te worden.

Vanaf het moment dat de vereffenaar de erfgenamen van de erflater is gaan vertegenwoordigen in de procedure, diende de procedure voortgezet te worden in de stand waarin het geding zich op dat moment bevond.

Er was toen al een conclusie van antwoord, houdende een verweer op de dagvaarding, namens de erfgenamen van de erflater ingediend, zodat op de tweede conclusie van antwoord, die van de vereffenaar, geen acht geslagen dient te worden.

Het indienen van een tweede conclusie van antwoord door dezelfde procespartij is bovendien in strijd met artikel 128 Rv.

In lid 3 van dat artikel is immers bepaald dat een gedaagde alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren dient te brengen, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien ten principale niet is geantwoord, het recht om dat alsnog te doen.

De vereffenaar stelt daartegenover dat hij als derde op basis van artikel 128 lid 2 Rv een zelfstandig recht heeft om een eigen conclusie van antwoord in te dienen.

Als goed vereffenaar sluit hij zich in deze niet zonder meer aan bij de namens de erfgenamen in de eerdere antwoordconclusie ingenomen standpunten.

Betwist wordt dat het beroep op verjaring tardief zou zijn.

Erfrecht. Procesrecht. Vereffening. Taken en bevoegdheden van de vereffenaar. Tussenkomst van de vereffenaar in een lopende procedure mogelijk? Beroep op verjaring van een vordering tot schadevergoeding.

De rechter overweegt als volgt.

Namens de erfgenamen van erflater is op 21 augustus 2019 een conclusie van antwoord ingediend.

Vervolgens is door de rechtbank op 17 maart 2020 een comparitie van partijen gepland.

Omdat mr. A op verzoek van eisers tussentijds door de rechtbank als vereffenaar van de nalatenschap van de erflater was aangesteld, is hij door eisers als derde in de lopende, onderhavige procedure betrokken.

De vereffenaar heeft vervolgens om een termijn voor het nemen van een antwoordconclusie, en in het verlengde daarvan om aanhouding van de geplande comparitie van partijen in maart 2020, verzocht. Namens eisers is hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 februari 2020 heeft de rechtbank de advocaten van partijen laten weten:

 “Naar het oordeel van de rechtbank is mr. A, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van wijlen de heer K, op basis van het bepaalde in artikel 118 lid 2 jo 128 lid 2 Rv, gerechtigd tot het nemen van een conclusie van antwoord en kan er pas een comparitie van partijen plaatsvinden nadat deze conclusie is genomen. De omstandigheid dat gedaagden reeds een conclusie van antwoord hebben genomen doet daaraan niet af. De goede procesorde brengt mee dat niet volstaan kan worden met het nemen van een conclusie van antwoord ter zitting, nog daargelaten dat de tijd tussen heden en de reeds geplande zitting te kort is. Gelet hierop kan de comparitie van partijen op 17 maart 2020 geen doorgang vinden en zal mr. A q.q. ter rolle van 4 maart a.s. een termijn van 2 weken worden gegund voor stellen en het voldoen van griffierecht, gevolgd door een termijn van zes weken voor het nemen van conclusie van antwoord. De rechtbank realiseert zich dat uitstel van de zitting voor eisers bezwaarlijk is, doch dat belang legt, tegenover het belang van mr. A q.q. en het algemeen belang bij een gedegen partijdebat, onvoldoende gewicht in de schaal. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit uitstel voorkomen had kunnen worden als eisers mr. A q.q. eerder in de zaak hadden betrokken; zijn benoeming dateert immers reeds van 29 oktober 2019.”

Deze (rol)beslissing van de rechtbank moet als bindende eindbeslissing worden gekwalificeerd.

Op een dergelijke beslissing kan de rechter terugkomen ingeval bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat hij aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen, althans onvoldoende, (nieuwe) feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat thans tot het oordeel gekomen zou moeten worden dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.

De rechtbank handhaaft derhalve haar eerder genomen beslissing.

Daarbij heeft de rechtbank voorts het volgende in aanmerking genomen.

De kerntaak van de vereffenaar wordt omschreven in artikel 4:211 lid 1 BW, dat bepaalt dat de vereffenaar tot taak heeft de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen.

Alle wettelijke taken van de vereffenaar vloeien hieruit voort.

De door de vereffenaar te verrichten werkzaamheden dienen derhalve bij te dragen aan het primaire doel van de vereffening, namelijk het dienen van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de nalatenschap.

Op dit moment staat nog niet vast dat eisers schuldeisers van de nalatenschap van de erflater zijn wier belangen de vereffenaar (mede) moet dienen.

De vereffenaar heeft een ruime mate van vrijheid om zijn taak naar eigen inzicht uit te voeren.

Wel dient hij daarbij de zorg van een goed vereffenaar te betrachten.

Op de voet van artikel 4:211 lid 2 BW vertegenwoordigt de vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.

Hij vertegenwoordigt hen privatief, in de zin van exclusief, dus met uitsluiting van de executeur respectievelijk de erfgenamen zelf.

Derhalve zijn de aanvankelijk gedaagde partijen niet langer procesbevoegd; de vereffenaar neemt het geding als formele procespartij over en zet dit voort.

Artikel 128 lid 2 Rv is van overeenkomstige toepassing verklaard op de partij die in een lopende procedure wordt betrokken.

Dit betekent dat de “nieuwe” partij, in dit geval de vereffenaar, de gelegenheid heeft om een antwoordconclusie te nemen.

Daarbij heeft de vereffenaar als formele procespartij en gezien zijn wettelijke verantwoordelijkheden zijn eigen standpunt in de procedure in te nemen.

De vereffenaar kan de eerdere proceshandelingen bekrachtigen (in die zin dat hij zich aansluit bij de in de eerdere antwoordconclusie ingenomen standpunten), maar hij is daartoe allerminst verplicht.

Dat eerder door de aanvankelijk gedaagde partijen (al dan niet bewust) geen beroep op verjaring is gedaan, doet niet af aan die eigen processuele positie van de vereffenaar.

Dat de erfgenamen van de erflater met de benoeming van de vereffenaar procesonbevoegd zijn geraakt, neemt overigens niet weg dat zij in de periode dat zij nog wel procesbevoegd waren een antwoordconclusie hebben genomen waarop de rechtbank nog steeds acht mag slaan.

Artikel 128 lid 3 Rv bepaalt onder meer dat een gedaagde alle excepties tegelijk naar voren brengt op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties.

Dit artikel beoogt een goede procesorde te bevorderen.

Volgens vaste rechtspraak zijn excepties in de zin van dit artikellid al die verweren die ertoe strekken dat de rechter op grond van regels van processuele aard niet aan een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf toekomt.

Hierbij valt te denken aan onbevoegdheid van de rechter of nietigheid van de dagvaarding.

Het verweer ter zake verjaring is niet een dergelijke exceptie maar een verweer ten principale.

Het staat een partij vrij om een dergelijk verweer – met inachtneming van de eisen van een goede procesorde – bij antwoordconclusie of op een later moment in de procedure naar voren te brengen.

De goede procesorde staat daar, in het algemeen, niet aan in de weg.

Daarbij doet niet ter zake dat dit verweer wordt gevoerd door een eerst later verschenen gedaagde partij, zoals hier de vereffenaar.

Feiten en omstandigheden die maken dat in dit concrete geval sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde, zijn gesteld noch gebleken.

Zo is gesteld noch gebleken dat eisers niet (in voldoende mate) op de in de antwoordconclusie opgenomen verweren van de vereffenaar, in het bijzonder het beroep op verjaring, hebben kunnen reageren of dat zij anderszins in hun belangen zijn geschaad door het moment van voeren van het verjaringsverweer.

Bovendien komt het de rechtbank, in de gegeven omstandigheden, ook om redenen van proces-economie, geraden voor dat het gehele geschil, in volle omvang, in eerste instantie kan worden behandeld na debat tussen alle daarbij betrokken partijen.

Indachtig het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat de antwoordconclusie van de vereffenaar buiten beschouwing te laten en dat het de vereffenaar vrij stond zich daarin alsnog te beroepen op verjaring.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het procederen binnen het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.