De Rechtbank Limburg heeft op 13 maart 2023 uitspraak gedaan over de informatieverplichting en de inlichtingenplicht van de executeur.
In 2021 is overleden de vader van eiseres (hierna de erflater).
Erflater was in mei 2018 gehuwd met gedaagde.
In zijn testament van 1 oktober 2021 heeft erflater de wettelijke verdeling ex artikel 4:13 BW van toepassing verklaard en als zijn erfgenamen benoemd: gedaagde voor de helft en voor de andere helft eiseres, haar zus en de beide kinderen van gedaagde, ieder voor gelijke delen.
Gedaagde is in dat testament benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
Erfrecht. Executeur. Dagvaarding pro sé of in hoedanigheid van executeur. Informatieverplichting bij wettelijke verdeling. Inlichtingenplicht.
Informatieverplichting ex art. 4:16 lid 4 BW en inlichtingenplicht ex art. 4:148 BW.
De rechter oordeelt als volgt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde pro se is gedagvaard en niet (ook) in haar hoedanigheid als executeur van de nalatenschap van erflater.
De vraag in welke hoedanigheid een partij optreedt vergt uitleg van de dagvaarding.
In verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij moeten strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van de dagvaarding.
Deze strenge eisen brengen echter niet mee dat steeds – uitdrukkelijk – melding moet worden gemaakt van de hoedanigheid van een procespartij (Hoge Raad, 22 oktober 2004, HR:2004:AP1435).
Op het voorblad van de dagvaarding is niet vermeld dat gedaagde wordt gedagvaard in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater.
Gelet op het voorgaande leidt dit enkele feit nog niet tot het oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.
Het komt aan op uitleg van de dagvaarding.
Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in de dagvaarding uitdrukkelijk wordt vermeld dat gedaagde executeur is in de nalatenschap van erflater.
Nu eiseres de vorderingen in de dagvaarding (mede) heeft gegrond op artikel 4:148 BW, welk artikel betrekking heeft op het handelen van een executeur, en gedaagde ook als zodanig tegen deze stellingen verweer heeft gevoerd, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in genoegzame mate dat de vorderingen (ook) zijn ingesteld tegen gedaagde in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater, zodat er geen reden is om eiseres niet-ontvankelijk te verklaren.
Ter terechtzitting is aan de hand van de vorderingen van eiseres en met rekenschap van de door gedaagde – in antwoord op de dagvaarding – in deze procedure overgelegde bescheiden, onderdeelsgewijs nagegaan van welke informatie / bescheiden eiseres thans nog inzage of overlegging vordert dan wel wat partijen anderszins verdeeld houdt.
Dat heeft er toe geleid dat een aantal vorderingen zijn ingetrokken dan wel nader geduid of gewijzigd.
De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 en 4:148 BW, aanleiding om de resterende vorderingen (grotendeels) toe te wijzen, met inachtneming van het volgende.
Gedaagde heeft ter zitting toegezegd een afschrift van de op de nalatenschap van erflater betrekking hebbende aangifte erfbelasting, de (daaropvolgende) gecorrigeerde aangifte erfbelasting en de daaropvolgende aanslag(en) erfbelasting die zij heeft ontvangen te zullen overleggen.
De voorzieningenrechter zal de vordering onder I. sub c dan ook toewijzen.
Met betrekking tot het gevorderde onder I. sub d heeft gedaagde verklaard dat de polisbladen zich waarschijnlijk in de administratie bevinden en in ieder geval door haar kunnen worden opgevraagd.
Of daarop polisvoorwaarden van toepassing zijn (en zo ja, welke) is haar niet bekend.
Als zij verplicht wordt die op te vragen is zij ter zake geheel afhankelijk van de medewerking c.q. reactie van de bank.
Wat er niet is (dan wel niet aan haar wordt verschaft) kan zij ook niet overleggen.
Eiseres heeft daarop aangegeven dat de door haar gevorderde dwangsomveroordeling niet hoeft te zien op het overleggen van de polisvoorwaarden.
Gedaagde zal gelet op het voorgaande worden veroordeeld tot het overleggen van de polisbladen en polisvoorwaarden met betrekking tot de lijfrentepolissen.
Met betrekking tot het gevorderde onder I. sub e. heeft gedaagde verklaard dat zij niet beschikt over polisbladen of polisvoorwaarden van deze pensioenen.
Eiseres heeft desgevraagd verklaard ook niet te weten of ten aanzien van deze pensioenen überhaupt polisbladen en polisvoorwaarden bestaan.
Gedaagde heeft gesteld dat deze pensioenen met het overlijden van erflater zijn geëindigd en niet hebben geleid tot een uitkering of aanspraak aan haar, noch aan de nalatenschap.
Wel heeft gedaagde ten aanzien van elk van deze pensioenen een beëindigingsbrief ontvangen van het desbetreffende pensioenfonds, waarin de beëindiging als gevolg van het overlijden van erflater is vermeld en waaruit tevens volgt dat de pensioenen aldus per datum overlijden erflater geen waarde meer vertegenwoordigen.
Gedaagde heeft ter zitting toegezegd deze brieven aan eiseres te overleggen.
Gedaagde zal gelet op het voorgaande dan ook worden veroordeeld tot het overleggen van (afschriften van) deze beëindigingsbrieven aan eiseres.
De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Dat wat er niet is kan door gedaagde ook niet worden overgelegd.
Eiseres heeft de juistheid van de door gedaagde in het geding gebrachte verklaring van de ABN AMRO Bank (van 22 december 2021) betreffende het saldo per datum overlijden van erflater betwist, in zoverre dat de verklaring van de ABN AMRO bank ziet op de overlijdensdatum in 2021 om 23.59 uur, en deze verklaring dus niet ziet op het precieze tijdstip van overlijden van erflater dat enige uren eerder lag.
Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij gelet op het bij haar bestaande wantrouwen graag tevens een bankverklaring ontvangt ten aanzien van het saldo op de exacte datum en tijdstip van overlijden.
De voorzieningenrechter stelt vast dat door gedaagde een schriftelijke bescheid is overgelegd, afkomstig van de betreffende bancaire instelling, waarop het saldo van de aangehouden rekening per datum overlijden erflater is vermeld.
Daarmee heeft gedaagde voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht, zodat de vordering van eiseres in zoverre zal worden afgewezen.
Dat is anders ten aanzien van de door erflater aangehouden spaarrekeningen bij Aegon.
Nu ter zake door gedaagde in het geheel (nog) geen bescheiden zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter gedaagde veroordelen ten aanzien van deze rekeningen een bankverklaring dan wel bankafschriften te overleggen waaruit een opgaaf blijkt van het op deze rekeningen aangehouden saldo per datum overlijden erflater.
Bij bespreking ter zitting kwam naar voren dat gedaagde ten aanzien van het gevorderde onder g abusievelijk in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat gevorderd werd het overleggen van de aangifte IB 2021 in plaats van een kopie van de aanslag IB 2021 (inhoudende de belastingteruggaaf).
Gedaagde heeft ter zitting toegezegd een kopie van de aanslag te overleggen, nu met deze verduidelijking de aan haar zijde bestaande bezwaren – verband houdende met de privacy van haar in de aangifte opgenomen privé gegevens – zijn weggenomen.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot het overleggen van (een afschrift van) de aanslag IB 2021 van erflater toe.
Gedaagde heeft ter zitting toegezegd een lijst op te stellen en over te leggen van alle roerende zaken, daaronder mede begrepen de voertuigen, die tot de nalatenschap van erflater behoorden ten tijde van zijn overlijden, zodat deze vordering zal worden toegewezen.
Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat het overleggen van stukken binnen een termijn van acht weken redelijk en reëel is en dat een eventuele dwangsomveroordeling niet dient te zien op de vordering tot het overleggen van de (nog op te vragen) polisvoorwaarden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dwangsomveroordeling nodig en geboden is.
De voorzieningenrechter zal het gevorderde dan ook toewijzen, met de kanttekening dat aan de veroordeling van gedaagde om de polisvoorwaarden als bedoeld onder vordering d. ter beschikking te stellen geen dwangsom zal worden verbonden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.