De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 31 maart 2021 uitspraak gedaan over een vordering van een executeur tegen mede-erfgenaam over het gebruiksrecht van een woning.

Eiseres en gedaagde zijn broer en zus van elkaar.

Zij zijn samen met nog twee andere broers en nog een zus erfgenamen in de nalatenschap van hun moeder.

Moeder is op 23 december 2019 overleden.

Eiseres is bij testament benoemd tot executeur in de nalatenschap van moeder. Eiseres heeft de benoeming aanvaard.

Tot de nalatenschap van moeder behoort de woning.

Eind februari 2020 heeft eiseres geconstateerd dat gedaagde in de woning is gaan wonen.

Erfrecht. Executele. Vordering executeur tegen mede-erfgenaam. Gebruiksrecht woning. Belangenafweging. Verkoop van de woning? Ontruiming?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiseres heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning door gedaagde.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning moet worden verkocht.

Eiseres stelt dat de aanwezigheid van gedaagde in de woning de verkoop belemmert.

Van belang daarbij is dat eiseres in dit kort geding optreedt in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van moeder en dus ook de belangen van de andere erfgenamen in acht moet nemen.

Eiseres stelt dat de andere erfgenamen (met uitzondering van een broer van partijen) willen dat gedaagde de woning verlaat zodat deze kan worden verkocht.

Zij hebben er recht op dat zij niet langer in onverdeeldheid blijven.

Van eiseres kan dan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Voldoende aannemelijk is dat het gebruiksrecht dat gedaagde van moeder had gekregen voor de woning door gedaagde rechtsgeldig is opgezegd tegen 1 februari 2021.

Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door eiseres in dat kader gehanteerde opzegtermijn van zes weken onder de gegeven omstandigheden niet redelijk is.

Daarbij is van belang dat gedaagde op het moment van opzegging al geruime tijd wist dat eiseres niet instemde met het gebruik van de woning.

Gedaagde heeft daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende tijd gehad om zich op een vertrek voor te bereiden en vervangende woonruimte te zoeken.

Ook het beroep op artikel 3:169 BW kan gedaagde niet baten.

Voldoende aannemelijk is dat het gebruik van de woning door gedaagde niet te verenigen is met het recht van de overige erfgenamen.

Zij hebben er als deelgenoten in de nalatenschap recht op om niet in de onverdeeldheid te blijven.

Dat betekent dat de woning zal moeten worden verkocht.

Daar zijn alle erfgenamen, inclusief gedaagde zelf, het ook over eens.

Voldoende aannemelijk is dat de verkoop wordt belemmerd door het feit dat gedaagde daar woont.

Daarmee ligt de vordering tot ontruiming voor toewijzing gereed.

Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een nader oordeel.

Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet kan beschikken over vervangende woonruimte als hij de woning moet ontruimen.

Gedaagde stelt weliswaar dat hij pogingen heeft gedaan om een sociale huurwoning te krijgen, maar laat dat verder niet zien.

Ontruiming van de woning door gedaagde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet disproportioneel.

Van eiseres en de overige erfgenamen kan niet worden gevergd dat zij genoegen nemen met de enkele toezegging van gedaagde dat hij niet in de woning zal zijn op tijdvakken die 24 uur van tevoren door eiseres of de makelaar zijn aangekondigd en dat gedaagde de sleutels van de woning aan eiseres zal overhandigen.

Er bestaat onder de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding om er aan te twijfelen dat gedaagde zich aan de gemaakte afspraken zal houden.

Dat geldt ook voor de toezegging van gedaagde dat hij de woning enkele weken voor de levering aan een koper zal ontruimen.

Eiseres heeft er belang bij dat zij een titel heeft om de woning te kunnen doen ontruimen als gedaagde dat niet vrijwillig doet.

Dat belang weegt zwaarder dan het belang van gedaagde om voorlopig nog in de woning te kunnen blijven wonen.

Slotsom is dat de primaire vordering tot ontruiming zal worden toegewezen.

Wel zal aan gedaagde een ontruimingstermijn van vier weken worden gegund.

Nu gedaagde de woning zal moeten ontruimen dient hij de sleutels aan eiseres af te geven.

Hij zal ook dienen mee te werken aan het (laten) verrichten van werkzaamheden in en rondom de woning door eiseres of door haar in te schakelen derden. Ook die vordering zal worden toegewezen.

De dwangsom zal worden toegewezen als vermeld in de beslissing. De dwangsom zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde machtiging omdat daarin geen verplichting van gedaagde besloten ligt.

De dwangsom zal ook worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op het betalen van de ontruimingskosten.

Een dwangsom kan niet worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verkoop van onroerend goed uit de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.