De Rechtbank Rotterdam heeft op 1 december 2021 uitspraak gedaan over  een vordering van een executeur tot de vernietiging van een schenking op grond van misbruik van omstandigheden.

Op 26 juni 2020 is erflaatster overleden.

Erflaatster is nooit gehuwd geweest en had geen kinderen.

Gedaagden zijn de broer van erflaatster en zijn echtgenote.

Erflaatster heeft bij testament van 23 juni 2010 over haar nalatenschap beschikt en haar nicht (eiseres) benoemd tot executeur.

De executeur legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag: er is sprake van misbruik van omstandigheden.

Erflaatster was begin 2016 in enigerlei mate dementerend en heeft geestelijk een flinke stap terug moeten doen.

Erflaatster kon haar belangen niet meer voldoende waarnemen en overzien om nog zelfstandig en onafhankelijk te kunnen functioneren.

Gedaagden hebben zich vanaf februari 2016 bezig gehouden met de financiële zaken van erflaatster.

Gedaagden hebben ten onrechte schenkingen van erflaatster geaccepteerd en zij wisten, althans konden weten, dat erflaatster in haar testament de vererving van haar verzamelingen zorgvuldig had geregeld.

Zij moest dan ook in een voor haar doen abnormale geestestoestand verkeren om voor wat betreft de verzamelingen een nieuwe en van het testament afwijkende koers te varen.

Gedaagden hebben voorts de bankrekeningen van erflaatster gebruikt voor het doen van allerlei betalingen die niet ten gunste van erflaatster strekten.

Gedaagden moeten hiervoor rekening en verantwoording afleggen.

Ten onrechte weigerden gedaagden een aantal tot de nalatenschap behorende goederen af te geven.

Gedaagden hebben die goederen nog onder zich, dan wel hebben zij deze verkocht.

Gedaagden betwisten dat zij misbruik van omstandigheden hebben gemaakt omdat erflaatster niet dementerend (lees: wilsonbekwaam) was.

Erflaatster heeft in eerste instantie de helft van de opbrengst van de munten- en postzegelverzamelingen aan gedaagden geschonken, dit is op schrift gesteld.

De andere helft van de opbrengst heeft zij vervolgens mondeling geschonken.

Gedaagden betwisten dat zij gehouden zijn om rekening en verantwoording af te leggen.

Gedaagden hebben geen maskers achtergehouden.

De bestekcassette is door erflaatster aan hen geschonken.

Erfrecht. Executele. Schenking. Vordering van de executeur tot vernietiging van een schenking op grond van misbruik van omstandigheden. Wilsonbekwaamheid? Dementie. Bewijslast, bewijslastverdeling en omkering van bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

De vordering van de executeur, gebaseerd op het gestelde misbruik van omstandigheden, wordt afgewezen.

Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals een abnormale geestestoestand, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Feitelijk komt het er op neer dat de executeur stelt dat erflaatster ten tijde van de schenking en dus ook daarna niet meer wilsbekwaam (compos mentis) zou zijn geweest.

Daarvoor heeft de executeur geen onderbouwing gegeven.

Er is dan ook niet komen vast te staan dat erflaatster ten tijde van de schenkingen (en de jaren voor haar overlijden) niet in staat was haar wil te bepalen en dat zij haar belangen niet meer kon behartigen.

Weliswaar heeft de executeur een overzicht met de titel ‘geestestoestand (van erflaatster) overgelegd maar deze door de executeur zelf opgestelde verklaring kan niet als bewijs dienen aangaande de geestelijke gesteldheid van erflaatster.

Daar komt nog bij dat de executeur tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat zij de laatste 8 à 9 jaar niet bij erflaatster was geweest en dat zij erflaatster circa één keer per jaar belde.

De executeur heeft zich voorts beroepen op artikel 7:176 BW.

Artikel 7:176 BW brengt met zich mee dat bij een beroep op nietigheid/vernietigbaarheid van een schenking op grond van misbruik van omstandigheden, in beginsel de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust.

Zoals hiervoor is overwogen, is niet vast komen te staan dat erflaatster ten tijde van de opbrengst van de schenkingen van de munten- en postzegelverzamelingen wilsonbekwaam was.

Dit volgt ook niet uit het door gedaagden overgelegde zorgplan.

Dit betekent dat het erflaatster vrij stond om rechtshandelingen te verrichten, zoals genoemde schenkingen.

Gedaagden hebben onderbouwd dat hun relatie met erflaatster goed was, dat zij erflaatster naar een verzorgingshuis hebben verhuisd en tevens betrokken waren bij de plotselinge verhuizing naar W, zij zich om haar welzijn en welbevinden bekommerden en erflaatster 4 à 5 keer per jaar bezochten en dan gelet op de afstand in de buurt ergens logeerden.

De kosten hiervan werden door erflaatster gedragen.

De betrokkenheid van gedaagden bij erflaatster en de erkentelijkheid van erflaatster daarvoor worden bevestigd in de e-mail van de vriendin van erflaatster, vriendin van erflaatster rept bovendien niet van enige vorm van dementie bij erflaatster.

In dat licht bevreemdt het niet dat erflaatster aan gedaagden in eerste instantie de helft en vervolgens de gehele opbrengst van de munten- en postzegelverzameling ad € 38.095,75 heeft geschonken.

Voorts hebben gedaagden om de executeur tegemoet te komen voorafgaand en na de mondelinge behandeling stukken aan de executeur overgelegd ter onderbouwing dat de opnamen van de bankrekening uitgaven betroffen ten behoeve van erflaatster of opnamen van contant geld omdat zij daarover wilde beschikken.

Dat erflaatster over, in haar ogen voldoende, contant geld wilde beschikken in het verzorgingshuis wordt ook bevestigd in de e-mail van de vriendin van erflaatster.

Op grond van deze, in onderlinge samenhang beschouwde, omstandigheden is het betoog van de executeur zo onwaarschijnlijk dat de voorlopige aanvaarding ervan gedaagden in een onredelijke bewijspositie zou brengen.

Een verdeling van de bewijslast in die zin dat op gedaagden het bewijs zou rusten van feiten en omstandigheden (voor zover zij daar niet reeds in zijn geslaagd) waaruit zou moeten blijken dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was, is dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

En daarmee wordt teruggekeerd naar de uit de hoofdregel van artikel 150 Rv voortvloeiende bewijslastverdeling.

De executeur is niet geslaagd in haar stelplicht en bewijslast op basis van dit artikel.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over schenkingen of giften in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.