De Rechtbank Rotterdam heeft op 3 februari 2021 uitspraak gedaan over een vordering van een executeur tot terugbetaling van twee geldleningen aan de nalatenschap.
De executeur vordert van gedaagde de terugbetaling van twee geldleningen.
Gedaagde heeft betwist gehouden te zijn tot betaling van de gevorderde bedragen, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de beide overeenkomsten van geldlening ‘voor de vorm’ zijn opgemaakt.
Zij heeft in dat verband gesteld dat zij al drie jaar lang gelden van eiser ontving, dat bij die betalingen steeds vermeld is “lening” en dat pas in 2019 de beide overeenkomsten van geldlening zijn opgesteld, omdat de ING vragen bleef stellen over die betalingen en de ING eiser en gedaagde verdacht van het witwassen van gelden.
Gedaagde heeft verwezen naar de brief die de ING aan haar heeft gericht. In die brief verwijst de ING naar de verplichtingen die zij als bank heeft op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
In die brief vermeldt de ING dat op de bankrekening van gedaagde in de periode van 4 januari 2017 tot en met 16 januari 2019 in totaal voor een bedrag van € 136.490,- aan contante stortingen is gedaan met de vermelding ‘lening’, welke bedragen afkomstig zijn van de ABN AMRO-rekening van eiser en dat gedaagde op haar betaalrekening sinds juni 2015 giraal geld ontvangt van eiser met de vermelding ‘lening’ tot een totaalbedrag van € 221.997,-.
In die brief berekent de ING dat alleen al in de periode van 4 januari 2017 tot en met 16 januari 2019 in totaal sprake is van een geleend bedrag van € 358.487,-.
De executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder heeft in reactie op bedoelde brief van de ING geen verklaring gegeven voor de niet onaanzienlijke bedragen die door eiser zijn verstrekt aan gedaagde respectievelijk zijn gestort op haar bankrekening.
Wel is van de zijde van de executeur/afwikkelingsbewindvoerder ter zitting erkend dat er sprake was van een affectieve relatie tussen eiser en gedaagde, alsmede dat gebleken is dat eiser ook affectieve relaties heeft gehad met andere vrouwen aan wie hij gelden ter beschikking heeft gesteld en ook gelden heeft beloofd na zijn overlijden.
Tevens heeft de executeur/afwikkelingsbewindvoerder erkend dat gedaagde, overigens als enige vrouw met wie eiser een affectieve relatie heeft gehad, beschikte over een eigen bankpas van de rekening van eiser en dat zij dus over die bankrekening kon beschikken.
De executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat “slechts” voor een totaalbedrag van € 200.000,- aan overeenkomsten van geldlening zijn opgesteld, terwijl anderzijds vaststaat dat alleen al in de periode van 4 januari 2017 tot en met 16 januari 2019 een totaalbedrag van € 358.487,- door eiser aan gedaagde is betaald, zoals af te leiden valt uit bedoelde brief van de ING, die de executeur/afwikkelingsbewindvoerder niet heeft betwist.
Ook heeft de executeur/afwikkelingsbewindvoerder geen verklaring gegeven voor het feit dat die overeenkomsten van geldlening pas zijn opgesteld in februari 2019, terwijl al jaren eerder allerlei betalingen – zowel contant alsook giraal – door eiser aan gedaagde zijn gedaan.
De executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft niet betwist dat de ING voorafgaande aan het opstellen van de overeenkomsten van geldlening in februari 2019 al eerder vragen heeft gesteld over de betalingen van eiser aan gedaagde.
Erfrecht. Executele. Executeur vordert de terugbetaling van twee geldleningen. Zijn de geldleenovereenkomsten voor de vorm opgemaakt?
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat bedoelde overeenkomsten zijn opgesteld naar aanleiding van vragen van de Bank, zoals de ING zelf ook al heeft opgemerkt in het hiervoor opgenomen citaat uit de brief van 8 augustus 2019.
Onvoldoende is komen vast te staan dat eiser en gedaagde daadwerkelijk bedoeld hebben overeenkomsten van geldlening aan te gaan.
In dat verband is tevens van belang dat gesteld noch gebleken is dat van de zijde van eiser voorafgaande aan de bespreking op 20 mei 2019 aanspraak is gemaakt op terugbetaling van de gestelde geleende bedragen, terwijl anderzijds vaststaat dat eiser, ook nadat in februari 2019 de overeenkomsten van geldlening door partijen waren ondertekend, is doorgegaan met de maandelijkse betalingen van circa € 2.500,- aan gedaagde.
Wanneer werkelijk sprake zou zijn geweest van overeenkomsten van geldlening is aannemelijk dat eiser met die maandelijkse betalingen in ieder geval gestopt zou zijn op het moment van ondertekening van die overeenkomsten van geldlening.
Niet in de laatste plaats acht de rechtbank van belang dat eiser gedaagde in zijn testament benoemd heeft tot legataris, aan wie 5% van het zuiver saldo van de nalatenschap toekomt.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de exacte omvang van de nalatenschap nog niet in kaart is gebracht, maar dat de boedel een waarde vertegenwoordigt in de orde van grootte van 2 miljoen euro en dat de aanspraak van gedaagde vermoedelijk correspondeert met een bedrag van circa € 100.000,-.
Ook uit het feit dat eiser gedaagde in het testament bedacht heeft met een legaat dat een niet onaanzienlijke waarde vertegenwoordigt, blijkt dat tussen hem en gedaagde een andere relatie heeft bestaan dan tussen een kredietverlener en een kredietnemer.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een geldlening in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.