De Rechtbank Den Haag heeft op 12 juli 2021 uitspraak gedaan over de aansprakelijk voor de aangifte van erfbelasting over een erfrechtelijke verkrijging.
In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht en naar een juist bedrag aan eiseres is opgelegd.
Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de vraag of rekening dient te worden gehouden met het feit dat eiseres feitelijk niets uit de nalatenschap heeft ontvangen.
Eiseres stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.
Eiseres voert aan dat niets uit de nalatenschap is ontvangen en er dus geen sprake is van erfrechtelijke verkrijging.
Verweerder stelt dat de aanslag terecht is opgelegd en juist is vastgesteld.
Verweerder voert aan dat de Successiewet een tijdstipbelasting is en dat eiseres als erfgenaam de belastingplichtige is die de aanslag krijgt.
Erfrecht. Executele. Aanslag erfbelasting. Erfrechtelijke verkrijging. Is de executeur hoofdelijk aansprakelijk voor de erfbelasting?
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 1 Successiewet 1956 luidt, voor zover relevant: “Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: 1° erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde. (..)”
Op grond van artikel 36 Successiewet 1956 wordt belasting geheven van de verkrijger.
Niet in geschil is dat eiseres enig erfgenaam van erflater is en dat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard.
Gelet op de hiervoor aangehaalde wetsartikelen is over de nalatenschap erfbelasting verschuldigd.
Daar doet, hoe vervelend dat ook is voor eiseres, niet aan af dat de executeur het bedrag van de nalatenschap niet heeft betaald aan eiseres waardoor zij feitelijk niets heeft ontvangen.
Evenmin leidt het feit dat de executeur hoofdelijk aansprakelijk is voor de erfbelasting tot de conclusie dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.
Verweerder heeft zich ter zitting op de omkering van de bewijslast beroepen, omdat eiseres geen aangifte erfbelasting heeft gedaan, ook niet nadat zij daaraan is herinnerd en daartoe is aangemaand.
Eiseres betwist dit ook niet en geeft aan niet over de gegevens te beschikken om aangifte te kunnen doen.
Derhalve is de vereiste door eiseres niet gedaan.
Op grond van artikel 27 e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) moet het beroep van eiseres ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
Het ligt dan op de weg van eiseres om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over kindsdeel of over de legitieme, of over de erfbelasting, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.