De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 augustus 2021 uitspraak gedaan over de vraag of erfgenamen gerechtigd waren om tussen te komen in een rechtelijke procedure tussen een andere erfgenaam en de executeur vanwege een verrekening van een vordering.

Een partij kan op grond van artikel 217 Rv in een aanhangige procedure vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in de aanhangige procedure in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden.

Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld.

Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

Daarbij geldt dat een partij die verlangt te worden toegelaten tot tussenkomst, daarbij wel kenbaar moet te maken wat zij wenst te vorderen en van wie.

Een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst is immers alleen mogelijk indien duidelijk is wat de betreffende partij daarmee wenst te bewerkstelligen (Hoge Raad, 28 maart 2014, HR:2014:768).

Erfrecht. Procesrecht. Tussenkomst. Erfgenamen vorderen te mogen tussenkomen in procedure tussen andere erfgenaam en executeur. Verrekening van een vordering.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de taak van F q.q. als executeur door diens ontslag bij beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 30 juli 2021 inmiddels (per 30 juli 2021) is geëindigd en dat mr. B. sindsdien, blijkens zijn benoeming bij diezelfde beschikking, executeur is van de goederen van de nalatenschap.

Op grond van artikel 4:144 BW beheert de executeur de goederen van de nalatenschap.

Deze benoeming als executeur heeft krachtens artikel 4:145 lid 1 BW privatieve werking.

Dat wil zeggen dat de executeur met uitsluiting van de erfgenamen bevoegd is tot het beheer van de nalatenschap, tenzij hij aan beschikking over (het aandeel van erfgenamen in) goederen door de erfgenamen zijn medewerking verleent.

In artikel 4:145 lid 2 BW is bepaald dat de executeur gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Dit houdt in dat indien er een bevoegde executeur is, een erfgenaam niet bevoegd is zelfstandig in rechte op te treden.

Niet in geschil is dat tussenkomende partij nog slechts met medewerking van de executeur kunnen beschikken over de nalatenschapsgoederen of hun aandeel daarin.

De rechtbank overweegt dat de onbevoegdheidsregel van artikel 4:145 BW ook doorwerkt naar de vraag of een erfgenaam bevoegd is zelfstandig in rechte op te treden, zowel in de hoedanigheid van eiser als in de hoedanigheid van gedaagde.

De tussenkomende partijen stellen echter dat F q.q. toestemming c.q. medewerking heeft verleend met zijn email van 23 januari 2021, zodat zij zich in de hoofdzaak kunnen mengen.

Eiser betwist dat F q.q. aan hen expliciet toestemming heeft gegeven om zelfstandig in rechte op te treden in de hoofdzaak en in die zaak tussen te komen.

F q.q. heeft op 23 januari 2021 schriftelijk kenbaar gemaakt dat tussenkomende partijen zijn toestemming hebben hun belangen als erfgenamen waar te nemen en zij vrij zijn om zelf te procederen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit enkel worden afgeleid dat voor zover nodig zij van hem medewerking hebben gekregen om zich (ook) te mengen in de procedure in de hoofdzaak.

De rechtbank begrijpt uit die email dat de aanleiding voor deze medewerking erin is gelegen dat F q.q. vanwege het boedelbeslag meende de erfgenamen niet in rechte te kunnen vertegenwoordigen.

De door eiser in dat verband opgeworpen verweren, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

Omdat F q.q. toestemming heeft gegeven aan de tussenkomende partijen om hun belangen zelf in rechte te waar te nemen en heeft aangegeven dat het hen vrij staat om zelf te procederen, kunnen zij worden ontvangen in hun vordering tot tussenkomst.

Thans dient daarom beoordeeld te worden of zij voldoende belang hebben bij de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak.

De rechtbank is van oordeel dat tussenkomende partijen een zelfstandig belang hebben om te mogen tussenkomen. De volgende overwegingen leiden tot dit oordeel.

In dit incident is voldoende gebleken dat tussenkomende partijen een vordering op eiser in de hoofdzaak willen doen betrekken.

Het doel daarvan is deze vordering – door middel van verrekening – vervolgens te kunnen meenemen in de uiteindelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster.

De omvang van de nalatenschap van erflaatster staat volgens tussenkomende partijen dus niet vast.

Ook uit het feit dat zij het niet eens zijn met de inbrengwaarde van het legaat van eiser, volgt dat zij van mening zijn dat de omvang van de nalatenschap niet vast staat.

Met de stelling dat na uitbetaling van het vaderlijk erfdeel aan eiser er vrijwel niets zal resteren op de ervenrekening om de gestelde uit de nalatenschap aan hen beweerdelijk verschuldigde schuld (nog) te kunnen voldoen, staat naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende vast dat de gestelde vordering van tussenkomende partijen verband houdt met de vordering van eiser in de hoofdzaak en dat zij – mede gelet op het geschil over de inbrengwaarde – belang hebben bij de uitkomst daarvan.

Door in de procedure in de hoofdzaak tussen te komen hebben tussenkomende partijen de mogelijkheid de nadelige gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak voor hen kan hebben, tegen te gaan.

De eisen van een goede procesorde staan in dit geval niet aan toewijzing van de vordering tot tussenkomst in de weg.

Immers, niet is gebleken dat de procedure in de hoofdzaak door toewijzing van de incidentele vordering tot tussenkomst een onredelijke vertraging zal oplopen.

De enkele verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (HR:2014:768), zonder nadere toelichting over waarom in dit geval sprake is van een onredelijke vertraging in de procedure, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat de legitimaris zich, zoals het hoort, wel laat vertegenwoordigen door de executeur.

Wat zij daar precies mee bedoelt is voor de rechtbank niet duidelijk geworden.

Indien zij meent dat alle mede-deelgenoten hun vordering tot tussenkomst gezamenlijk hadden moeten instellen, geldt dat dit een vraag is die zich richt op de verdeling van de nalatenschap.

De verdeling wordt in deze procedure niet gevorderd, zodat die vraag op dit moment niet beantwoord hoeft te worden.

De conclusie is dat vordering in het incident zal worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over voeging of tussenkomst, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.