Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 20 november 2018 uitspraak gedaan over het procederen in de hoedanigheid van executeur.
Uit de dagvaarding in eerste aanleg leidt het hof af, dat appellanten c.s. hun vorderingen als oorspronkelijk eisers hebben ingesteld in hun hoedanigheid van executeurs in de nalatenschap van de hierna te noemen erflater, zodat zij naar het oordeel van het hof geacht moeten worden – uitsluitend – in die hoedanigheid als procespartij op te treden.
Blijkens de gedingstukken zijn partijen in de eerste plaats verdeeld over de vraag, of appellanten c.s. in het door hen ingestelde hoger beroep ontvankelijk zijn. Deze vraag heeft het hof ook ambtshalve te onderzoeken.
Executele. Procederen in de hoedanigheid van executeur. Beneficiaire aanvaarding. Procesrecht. Ontvankelijkheid in appel.
Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.
Appellanten c.s. hebben bij inleidende dagvaarding het onderhavige geding op 19 oktober 2011 bij de voormalige rechtbank Zwolle-Lelystad aanhangig gemaakt. Het geding in eerste aanleg is geëindigd met het genoemde eindvonnis van de rechtbank Overijsel van 12 oktober 2016. Bij dit vonnis zijn de vorderingen van appellanten c.s. afgewezen.
Appellanten c.s. hebben – gelijk het hof hiervoor heeft overwogen – hun vorderingen als oorspronkelijk eisers ingesteld in hun hoedanigheid van executeurs.
Tijdens het geding in eerste aanleg is op grond van het bepaalde in art. 4:202 lid 1 onder a BW in verbinding met art. 4:149 lid 1 onder d BW voor appellanten c.s. aan hun hoedanigheid van executeurs een eind gekomen, omdat – gelijk vaststaat – G de nalatenschap van de erflater op 27 mei 2015 heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving en niet is gesteld of gebleken dat de in art. 4:202 lid 1 onder a slot BW bedoelde uitzondering zich heeft voorgedaan.
Daardoor werden de erfgenamen van de erflater tijdens het geding in eerste aanleg vereffenaar van de bedoelde nalatenschap (art. 4:195 BW).
Dit bracht voor hen een gezamenlijke taakuitoefening met zich (art. 4:198 BW). In een geval als dit is art. 3:171 BW niet van toepassing (art. 4:222 BW).
Het vorenstaande had tot gevolg dat tijdens het geding in eerste aanleg aan de zijde van de eisende partij een grond voor schorsing ervan, als bedoeld in art. 225 lid 1 onder c Rv opkwam.
De aan de zijde van de eisende partij opgekomen schorsingsgrond als hiervoor bedoeld is evenwel in eerste aanleg niet ingeroepen en het geding in eerste aanleg is op de voet van art. 225 lid 2 tweede zin Rv op naam van de oorspronkelijke partijen voortgezet.
De appeldagvaarding is op 11 januari 2017 namens appellanten c.s. aan geïntimeerden c.s. betekend.
Op dat tijdstip waren de gezamenlijke erfgenamen van de erflater de vereffenaars van de nalatenschap van de erflater en als zodanig op grond van het bepaalde in art. 4:198 BW in verbinding met art. 4:211 lid 2 eerste zin BW degenen die bevoegd waren – en wel slechts gezamenlijk – tot het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep tegen de bestreden vonnissen.
Het hiervoor overwogene brengt mede, dat nu niet de gezamenlijk erfgenamen als de vereffenaars van de nalatenschap van de erflater, maar (enkel) appellanten c.s. in hoger beroep zijn gekomen, deze daarin niet kunnen worden ontvangen, zodat het hof niet aan een behandeling van de opgeworpen grieven toekomt.
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.
Ook wanneer de rechtsoverweging van het genoemde tussenvonnis van 28 november 2012, tweede zin (‘Daarbij komt dat eisers, zoals gedaagden ook zelf aangeven, tevens in hun hoedanigheid als erfgenamen ageren’) niet voor een verschrijving zou moeten worden gehouden, waardoor het geding in eerste aanleg geacht zou moeten tevens op naam van appellanten c.s. in hun hoedanigheid van op de voet art. 3:171 BW optredende erfgenamen te zijn voortgezet, leidt dat niet tot een ander oordeel dan het oordeel dat is weergegeven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over zuivere of beneficiaire aanvaarding of over het procederen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.