De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over een vordering van een vereffenaar tot ontruiming van een woning die de vereffenaar te gelde wil maken.

Bij beschikking van 4 november 2020 is G benoemd tot vereffenaar.

G vordert dat de rechtbank bij vonnis gedaagde veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden.

Bij beschikking van 4 november 2020 is G benoemd tot vereffenaar.

De vereffenaar G legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

G dient de woning te gelde te maken om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

Het gaat om de erfdelen uit de nalatenschap van erflater, groot (4 maal € 37.521,00 =) € 150.084,00, en de vereffeningskosten.

De nalatenschap beschikt over onvoldoende liquide middelen om deze schulden te kunnen voldoen.

Gedaagde verblijft momenteel zonder recht of geldige titel in de woning.

Ondanks daartoe te zijn aangeschreven, wil gedaagde de woning niet verlaten.

Erfrecht. Vereffening. Te gelde maken van woning door de vereffenaar. Onvoldoende liquide middelen in de nalatenschap? Vordering van de vereffenaar tot de ontruiming van de woning. Dwangsom.

De rechter oordeelt als volgt.

Betwist wordt dat gedaagde zonder recht of geldige titel in de woning zou verblijven.

Gedaagde heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en is daarom op grond van artikel 3:80 BW mede-eigenaar van de woning.

Hij bewoont de woning al vanaf 1996 met toestemming van zowel erflater als erflaatster.

Te gelde making is hier niet aan de orde omdat de activa van de nalatenschap de passiva overstijgt en het een positieve nalatenschap betreft en er geen externe schuldeisers zijn.

Gedaagde wenst de woning over te nemen, maar bij toedeling moet rekening worden gehouden met de financiële aanspraken van gedaagde op de nalatenschap.

Bovendien heeft gedaagde geen alternatieve woonruimte, aldus gedaagde.

Ter zitting van 19 september 2023 hebben partijen de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om te bezien of de woning aan gedaagde kon worden toebedeeld.

Op 11 april 2024 heeft G de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen.

Gedaagde heeft gelet op die omstandigheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter ruim de gelegenheid gehad om de woning over te kunnen nemen.

Van de overige erfgenamen kan niet gevergd worden dat zij nog langer in onverdeeldheid blijven.

Daarom overweegt de rechtbank als volgt.

Het is de taak van de vereffenaar om de nalatenschap te vereffenen, waarna conform artikel 4:222 BW de verdeling volgt.

De vereffenaar is niet bevoegd om de nalatenschap te verdelen, maar wel om goederen van de nalatenschap te gelde te maken voor zover dat voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap nodig is ex artikel 4:215 BW.

G heeft voldoende aangetoond dat het noodzakelijk is de woning te gelde te maken om de schulden van de nalatenschap, hier met name de erfdelen in de nalatenschap van erflater, te kunnen voldoen.

Hoewel de schulden de goederen van de nalatenschap niet overstijgen en de nalatenschap positief is, gaat gedaagde eraan voorbij dat er onvoldoende liquide middelen zijn om de schulden te kunnen voldoen.

Dat het hier gaat om interne schuldeisers, namelijk de erfgenamen zelf, en niet om externe schuldeisers doet niet ter zake.

De erfdelen uit de nalatenschap van erflater zijn schulden in de nalatenschap van erflaatster en moeten worden vereffend.

Van een verzoek tot ontheffing conform artikel 4:202 lid 2 BW is niet gebleken.

Bovendien heeft de rechtbank een vereffenaar benoemd, G , omdat de erfgenamen onderling niet tot vereffening zijn kunnen overgaan.

Dat vereffening hier niet aan de orde is, zoals gedaagde stelt, is dan ook onjuist.

In het kader van de vereffening kan G de woning te gelde maken om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.

De vereffenaar is niet alleen bevoegd tot het te gelde maken van de woning maar daartoe onder omstandigheden zoals de onderhavige ook gehouden.

Die taakuitoefening wordt op onrechtmatige wijze belemmerd als gedaagde zonder goede gronden of zwaarwegende omstandigheden weigert om de te gelde te maken woning te ontruimen, wat kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vereffenaar.

Dergelijke goede gronden of zwaarwegende omstandigheden zijn aanwezig als gedaagde met recht of geldige titel in de woning verblijft.

De voorzieningenrechter acht dergelijke goede gronden of zwaarwegende omstandigheden niet aanwezig zodat van onrechtmatig handelen in bovenbedoelde zin sprake is, wat hieronder nader wordt uiteengezet.

Gedaagde heeft aangevoerd dat hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en zo van rechtswege al mede-eigenaar is van de woning.

Bij een zuivere aanvaarding verkrijgt een erfgenaam, samen met de overige erfgenamen, alle goederen van de nalatenschap.

Ook is de erfgenaam die zuiver heeft aanvaard aansprakelijk voor alle schulden van de nalatenschap.

Pas nadat er is verdeeld, staat vast wie (mede-)eigenaar is van de woning.

Tot die tijd zijn in dit geval alle erfgenamen voor gelijke delen eigenaar van de goederen van de nalatenschap, zo ook de woning.

Zuivere aanvaarding van een nalatenschap brengt dus geen voorrang met zich bij het, uit uitsluiting van de overige erfgenamen, verkrijgen van bepaalde goederen uit de nalatenschap, zodat dit verweer niet slaagt.

Daarnaast heeft gedaagde aangevoerd dat hij op basis van gegeven toestemming van erflater en erflaatster sinds 1996 in de woning woont.

Niet gesteld of gebleken is dat deze toestemming, voor zover juist, inhoudt dat gedaagde ook ná het overlijden van erflaatster in de woning mocht blijven wonen.

Ook in het testament is daarover niets bepaald.

Zonder nadere bewijslevering, waarvoor dit kort geding zich niet leent, is dus niet aannemelijk dat gedaagde thans op basis van toestemming in de woning verblijft, zodat ook dit verweer niet slaagt.

Artikel 3:169 BW bepaalt dat iedere deelgenoot is bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed voor zover dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen.

De voorzieningenrechter overweegt dat van een met het recht van de overige erfgenamen overeenstemmend gebruik geen sprake is.

Het gebruik door gedaagde verhindert dat de vereffening kan worden voltooid en de nalatenschap kan worden afgewikkeld.

Ook dit kan gedaagde niet baten.

Gedaagde heeft verder aangevoerd dat de tot zijn eigendom behorende woning volledig is verhuurd zodat hij geen alternatieve woonruimte heeft.

Ook voor zover dit juist zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagde gelegenheid heeft gehad om tijdig andere woonruimte te zoeken.

G heeft gedaagde al bij brief van 30 december 2022 medegedeeld de woning te willen verkopen en hem verzocht de woning te verlaten.

Ook de daarop volgende brieven van G van 16 februari 2023 en 7 maart 2023 hebben eenzelfde strekking.

Gedaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij sindsdien pogingen heeft verricht om andere woonruimte te vinden terwijl hij daar ruimschoots de tijd voor heeft gehad.

Dat gedaagde bij toewijzing van de ontruimingsvordering op korte termijn de woning moet verlaten zonder dat hij de beschikking heeft over alternatieve woonruimte, komt voor zijn eigen rekening en risico.

Nu niet kan worden aangenomen dat gedaagde met recht of geldige titel in de woning verblijft, handelt hij onrechtmatig jegens G door in de woning te verblijven en is de vordering tot ontruiming toewijsbaar.

De voorzieningenrechter acht het waarschijnlijk dat een gelijkluidende vordering in een bodemprocedure ook wordt toegewezen.

Daarom zal de voorzieningenrechter de ontruimingsvordering toewijzen.

De hiermee samenhangende vordering ter zake de ontruimingskosten, voor zover de ontruiming conform artikel 556 Rv plaatsvindt, zal worden afgewezen.

In het algemeen geldt dat die kosten in beginsel voor de geëxecuteerde zijn, maar de voorzieningenrechter kan gedaagde niet op voorhand al in de executiekosten veroordelen omdat nog niet vaststaat of deze kosten gemaakt zullen worden en zo ja, wat de (redelijke) omvang daarvan is (artikel 556 Rv jo. 237 lid 3 Rv).

De vordering is te onbepaald om te kunnen worden toegewezen.

G vordert om aan de veroordeling tot ontruiming een dwangsom te verbinden.

Een dwangsom dient als prikkel tot nakoming.

Aangezien gedaagde meermaals schriftelijk is verzocht om de woning te verlaten en daar tot op heden geen gehoor aan heeft gegeven, acht de voorzieningenrechter een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) met een maximum van € 50.000,00 hier op zijn plaats.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.