De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een verzoek tot het opmaken van een boedelbeschrijving en het afleggen van rekening en verantwoording door de voormalig executeur.
Bij testament van 10 maart 2008 heeft erflaatster over haar wil beschikt.
Zij heeft verzoekster en verweerder daarbij tot haar erfgenamen benoemd, elk voor gelijke delen.
Erflaatster heeft verweerder benoemd tot executeur. Verweerder heeft deze benoeming aanvaard.
Verzoekster heeft verzocht dat door de kantonrechter een bevel wordt gegeven tot het opstellen van een boedelbeschrijving in de nalatenschap van erflaatster door een notaris waarvan de kosten voor rekening van verweerder komen (artikel 672 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dat verweerder rekening en verantwoording aflegt voor zijn executeurschap vanaf het overlijden van erflaatster tot aan heden, zoals voorzien in artikel 4:151 jo. 4:161 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Verzoekster stelt – kort gezegd – dat verweerder de nalatenschap is gaan verdelen zonder met verzoekster te overleggen en haar te informeren.
Op verweerder als beheerexecuteur rustte de verplichting een met stukken onderbouwde boedelbeschrijving op te stellen.
Tot op heden heeft verweerder hier niet aan voldaan.
Op de door verweerder opgestelde boedelbeschrijving staan niet alle bankrekeningen van erflaatster.
Bovendien ontbreekt een schuld van verweerder aan erflaatster.
Nu de taak van verweerder als executeur is beëindigd, dient hij rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat hij beheer over de nalatenschap heeft gevoerd.
In dat kader dient verweerder onder andere inzicht te geven in de bankrekeningen van erflaatster.
Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek en voert hiertoe – kort gezegd – het volgende aan.
Aangezien hij als executeur is benoemd, was hij bevoegd de nalatenschap te verdelen.
Verweerder heeft overlegd met verzoekster over de kristallen en het geld in de kluis dat onderdeel was van de nalatenschap.
Verzoekster heeft de helft van het contante geld ontvangen en hiervoor een kwitantie getekend.
Het verzoek tot het afleggen van rekening en verantwoording en de door verzoekster opgeworpen verdelingskwesties horen niet thuis in deze procedure.
De door verweerder opgestelde boedelbeschrijving is juist.
Hij verwijst hiervoor naar overgelegde bankafschriften van erflaatster en een toelichting over de vordering van erflaatster op hem zoals weergegeven in het verweerschrift.
Erfrecht. Executele. Verzoek opmaken boedelbeschrijving. Afleggen van rekening en verantwoording door de executeur? Informatieplicht. Inzage in bankafschriften. Verdeling nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 672 Rv kan de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de boedel zich geheel of voor een groot deel bevindt, op verzoek van – onder andere – een erfgenaam, een boedelbeschrijving bevelen door een bij dat bevel aan te wijzen notaris.
Het bevel wordt slechts gegeven, indien de verzoeker zijn recht en belang summierlijk aannemelijk maakt.
Op grond van artikel 4:151 BW is een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, verplicht aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Uit artikel 4:161 BW volgt dat de bewindvoerder, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van zijn bewind rekening en verantwoording aflegt aan de rechthebbende en aan degenen in wier belang het bewind is ingesteld.
Aan het einde van zijn bewind legt hij rekening en verantwoording mede af aan degene die hem in het beheer van de goederen opvolgt.
Is de bewindvoerder benoemd door de rechter, dan legt hij ten overstaan van deze de rekening en verantwoording af.
Verzoekster heeft aangevoerd dat ten onrechte bankrekeningen en schulden van verweerder aan erflaatster niet op de boedelbeschrijving zijn opgenomen.
Om die reden dient de boedelbeschrijving opgesteld te worden door een notaris.
Verweerder heeft dit betwist.
Bovendien heeft verweerder volgens verzoekster geen rekening en verantwoording afgelegd, omdat hij niet alle bankafschriften aan verzoekster heeft verschaft.
De kantonrechter zal deze punten hieronder per onderdeel bespreken.
Aangezien verzoekster zowel bij haar verzoek over de boedelbeschrijving als over de rekening en verantwoording ingaat op bankrekeningen van erflaatster bij ABN Amro, zal de kantonrechter dit punt apart bespreken.
Ter zitting heeft verzoekster aangegeven jaaroverzichten van ABN Amro van erflaatster over de jaren 2018 en 2019 te willen ontvangen zodat vast komt te staan welke bankrekeningen erflaatster had ten tijde van haar overlijden en of deze zijn opgenomen op de boedelbeschrijving.
Als deze overgelegd kunnen worden, kan boedelbeschrijving definitief gemaakt worden en wordt het verzoek ingetrokken, aldus de advocaat van verzoekster.
Vervolgens is ter zitting overeengekomen dat verweerder deze overzichten na de zitting aan verzoekster zal verstrekken.
Verzoekster heeft ter zitting ook verklaard dat zij de bankafschriften van erflaatster heeft ontvangen tot datum van opheffing van die rekeningen en dat daarmee aan haar verzoek voldaan is voor wat betreft de verzochte rekening en verantwoording.
Na de zitting heeft verzoekster aangegeven dat verweerder de bankafschriften van de twee bankrekeningen van zes maanden na overlijden van erflaatster niet heeft overgelegd, maar tot oktober 2018.
Bij brief van 25 september 2020 heeft verweerder aangegeven dat de jaaroverzichten niet kunnen worden afgegeven door ABN Amro, omdat de betreffende rekeningen al zijn opgeheven.
Verweerder zou ABN Amro om een schriftelijke bevestiging hiervan vragen.
Bij brief van 30 september 2020 heeft verweerder het financiële jaaroverzicht 2018 overgelegd.
Hieruit blijkt volgens verweerder dat erflaatster twee bankrekeningen had, één eindigend op 003 en één eindigend op 651.
Verweerder merkt daarbij op de ABN Amro over het jaar 2019 geen overzicht kan verstekken omdat de rekeningen toen zijn opgeheven.
Het laatste afschrift van rekening 651 is eveneens overgelegd.
Rekening 003 bestond in 2019 niet meer, aldus de advocaat van verweerder.
Verzoekster heeft bij brief van 6 november 2020 gereageerd op voorgaande brieven met bijlagen van verweerder.
Rekening 003 is opgeheven, dus daar hoeft niets meer mee gedaan te worden volgens verzoekster.
Rekening 651 had volgens het jaaroverzicht op 31 december 2018 een saldo van € 1.526,05.
Onbekend is wat er met dit saldo is gebeurd.
Verzoekster meent dat dit bedrag bij helfte verdeeld had moeten worden tussen haar en verweerder en heeft daartoe het verzoek aangepast bij voornoemde brief.
Verweerder heeft bij brief van 18 november 2020 gereageerd.
De bankafschriften van beide bankrekeningen zijn overgelegd tot en met 24 april 2019.
Het is dus onjuist dat de bankafschriften slechts zijn overlegd tot oktober 2018. Het saldo van bankrekening 651 is opgenomen en in de kluis gedaan.
De kantonrechter is van oordeel dat verzoekster, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, onvoldoende heeft onderbouwd dat niet alle bankafschriften zijn overgelegd.
Bovendien heeft verweerder de bankafschriften over de periode oktober 2018 t/m april 2019 bij zijn laatste brief nogmaals overgelegd.
De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat alle bankafschriften zijn overgelegd aan verzoekster.
Het verzoek tot het afleggen van rekening en verantwoording zal worden afgewezen, omdat het hier gaat om een verdelingskwestie.
Een dergelijke procedure dient gevoerd te worden bij de rechtbank en niet bij de kantonrechter.
Overigens heeft verzoekster ook geen belang bij dit verzoek, omdat de aanwezige bankafschriften en jaaroverzichten al overgelegd zijn.
De kantonrechter is van oordeel dat het hier om een verdelingskwestie gaat die niet thuishoort in de procedure bij de kantonrechter.
Wat betreft het standpunt van verzoekster dat een bedrag van € 61.818,85 op de boedelbeschrijving behoort te staan, geldt dat verzoekster hierover te laat een verzoek ingediend, waardoor aan inhoudelijke behandeling niet toe wordt gekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat verzoekster haar recht en belang niet summierlijk aannemelijk heeft gemaakt wat betreft haar verzoek ex artikel 672 Rv.
Gelet op het voorgaande gaat het in deze zaak eigenlijk om een verdelingskwestie en zijn de overige grondslagen onvoldoende onderbouwd door verzoekster.
Het verzoek wordt dan ook bij gebrek aan belang afgewezen.
Het lijkt erop dat alle onderdelen van de boedel inmiddels zijn geïnventariseerd.
De discussie gaat hoofdzakelijk nog over de verdeling.
En daarover gaat de kantonrechter niet.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van verzoekster zal afwijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.