Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam ontvankelijk was in zijn vordering tegen andere erfgenaam vanwege de privatieve bevoegdheid van de executeur.

Partijen zijn broer en zus.

Hun moeder, erflaatster, is in 2022 overleden.

Bij testament heeft zij de broer en de zus gezamenlijk en voor gelijke delen als erfgenamen benoemd.

De zus is benoemd als executeur, waarbij is opgenomen dat de erfgenamen niet zonder medewerking van de executeur of machtiging van de rechter sectie kanton, over de goederen van de nalatenschap of hun aandeel daarin kunnen beschikken, voordat de bevoegdheid tot beheer van de executeur is geëindigd.

De zus heeft (in hoger beroep) het verweer gevoerd dat zij als executeur privatief bevoegd is om namens de nalatenschap op te treden en dat de fase van de executele nog niet is afgerond, zodat de broer niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen.

Hij is niet bevoegd deze vorderingen in te stellen en namens de erven in rechte op te treden, zo volgt uit het testament en uit artikel 4:144 BW, aldus de zus.

Erfrecht. Executele. Privatieve bevoegdheid van de executeur om op te treden namens de nalatenschap. Is de erfgenaam ontvankelijk in vordering tegen andere erfgenaam?

De rechter oordeelt als volgt.

Dit verweer slaagt.

Het feit dat de executeur het beheer van de nalatenschap heeft, brengt met zich dat hij gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak als vertegenwoordiger van de erfgenamen optreedt, zowel in als buiten rechte (artikel 4:145 lid 2 BW).

Uit het bepaalde in artikel 4:149 BW volgt dat de taak van de executeur onder meer en voor zover hier van belang eindigt wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid.

De zus is naar eigen zeggen een heel eind gevorderd met de executele, inmiddels heeft zij de aangifte erfbelasting gedaan, maar zij heeft de werkzaamheden waarop de executele ziet nog niet geheel voltooid.

De zus heeft hieromtrent specifiek verklaard dat weliswaar in de aangifte successiebelasting de diverse relevante boedelbestanddelen zijn opgenomen, maar dat de boedelbeschrijving nog niet gereed is.

Het huis van erflaatster was erg verwaarloosd en binnen was het een grote chaos.

De administratie lag door elkaar.

De zus heeft nog niet alle kasten doorgenomen en hieruit kunnen, zo begrijpt het hof, nog relevante bescheiden naar voren komen.

Verder zijn nog niet alle door de zus ten behoeve van het pand gemaakte kosten geïnventariseerd.

De broer heeft dit niet (voldoende) weersproken.

Naar het oordeel van het hof is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de zus de werkzaamheden waarop de executele ziet nog niet geheel heeft voltooid.

Bovendien beoogt artikel 4:150 lid 1 BW te voorkomen dat de beheersbevoegdheid van de executeur van rechtswege zou vervallen wanneer hij zijn taak heeft voltooid.

Het einde van de taak van de executeur brengt derhalve niet van rechtswege het einde van het beheer van de executeur mee, maar de executeur zal – na het eindigen van zijn taak – ook het beheer moeten beëindigen (Hoge Raad 28 juni 2013, HR:2013:38).

In de praktijk geschiedt dat door een eenvoudige kennisgeving aan de erfgenamen, waarin de executeur aangeeft zijn taak als geëindigd te beschouwen.

Gesteld noch gebleken is dat de zus als executeur aldus het beheer heeft beëindigd.

Ook in hoger beroep is hierom uitgangspunt dat de executele nog loopt.

De zus is nog steeds als enige bevoegd om voor de nalatenschap op te treden.

Hieruit volgt dat de broer gedurende de tijd dat het beheer van de executeur voortduurt niet bevoegd is zonder toestemming van de executeur in rechte op te treden.

Nu gesteld noch gebleken is dat de zus hem hiervoor toestemming heeft gegeven, kan de broer niet in enige ten behoeve van de nalatenschap ingestelde vordering worden ontvangen, ook niet in zijn vordering onder III.

Ook in zoverre geldt immers dat, als de broer namens de erfgenamen wil bewerkstelligen dat de zus in persoon wordt gesommeerd om aan haar verplichtingen uit geldlening te voldoen en dat zij zo nodig als executeur wordt gesommeerd om die geldlening – bij zichzelf – op te eisen en te incasseren, hij gehouden is om zich tot de kantonrechter te wenden en op grond van artikel 4:145 jo. artikel 3:168 BW een machtiging tot beheer te verzoeken.

De broer heeft dat niet gedaan.

Zou moeten worden geoordeeld dat de broer met zijn vordering onder III heeft beoogd een machtiging tot beheer als bedoeld in art. 4:145 BW te vragen en tevens dat de voorzieningenrechter in spoedeisende gevallen tot het afgeven van een dergelijke machtiging in kort geding bevoegd is (art. 254 lid 5 Rv), dan geldt voorts dat de vordering onder III moet worden afgewezen omdat de broer – tegenover de gemotiveerde betwisting door de zus – niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat nog sprake is van openstaande verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening.

Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.

Aldus kan niet worden vastgesteld dat de zus als executeur gehouden is om namens de gezamenlijke erfgenamen zich zelf in privé tot nakoming van de overeenkomst van geldlening te sommeren en deze bij zich zelf op te eisen.

Ook hierom kan deze vordering de broer niet baten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.