Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 februari 2018 uitspraak gedaan over de bevoegdheden van de executeur onder het oude BW.
De grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat een executeur onder het oude erfrecht in beginsel ruimere bevoegdheden had.
De erfgenamen wijzen erop dat in het testament is bepaald dat de executeur het recht van bezit heeft en hem de bevoegdheden van een boedelberedderaar zijn verleend.
Op grond van artikel 133 Overgangswet is afdeling 6 van titel 5 van boek 4 BW van toepassing op de bevoegdheden van de executeur.
Dit brengt mee dat de executeur-testamentair die in een onder het oude erfrecht opgemaakte uiterste wilsbeschikking bekleed is met “recht van bezit”, thans wordt aangemerkt als een beheersexecuteur.
Onder de beheerstaak valt niet de verdeling van de nalatenschap.
Voor de boedelberedderaar onder het oude recht is geen specifieke overgangsregel gemaakt, maar onder het oude recht gold dat de boedelberedderaar niet de bevoegdheid had goederen te verkopen om de nalatenschap in staat van verdeling te brengen.
Van “verdergaande bevoegdheden” onder het oude erfrecht is dan ook geen sprake, aldus de erfgenamen.
De executeur heeft zich onrechtmatig dan wel onzorgvuldig jegens de erfgenamen opgesteld door te handelen overeenkomstig zijn standpunt dat hij de activa dient te verkopen, en in dat kader uitgaven te doen.
De executeur betwist dat de (volgens hem onjuiste) stelling van de erfgenamen tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden.
Voor de vaststelling van het loon van de executeur en de informatierechten van de erfgenamen is de betwiste omvang van de executele irrelevant.
Evenmin geven de stellingen van de erfgenamen aanleiding dat, wat betreft de onzorgvuldigheden die de executeur zou hebben begaan, een en ander anders zou komen te liggen indien zijn bevoegdheden als executeur beperkter moeten worden opgevat en worden gezien vanuit het huidige erfrecht.
De bevoegdheden van de executeur onder het oude BW. Beheersbevoegdheid van de executeur
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof begrijpt dat de erfgenamen met de grief willen betogen dat de executeur zijn bevoegdheden heeft overschreden doordat hij de boerderij in Canada op zijn naam heeft laten zetten teneinde deze te verkopen.
Het hof overweegt dat de executeur aan wie onder het oude recht het bezit van de goederen was toegekend en die was aangesteld tot beredderaar van de boedel, zoals in het onderhavige geval, bevoegd was met uitsluiting van anderen het beheer over de goederen van de nalatenschap te voeren.
Dit stemt overeen met het huidige recht, waarin de executeur, voor zover de erflater niet anders heeft beslist, ingevolge art. 4:144 lid 1 BW van rechtswege is belast met het beheer van de goederen van de nalatenschap.
De taken en bevoegdheden van een executeur die onder het oude recht tevens was aangewezen tot boedelberedderaar stemmen niet overeen met die van de executeur die op grond van art. 4:171 BW is benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder (vgl. HR 28 juni 2013, HR:2013:39).
In zoverre heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de executeur terecht is uitgegaan van de ruimere bevoegdheden die hij onder het oude erfrecht in beginsel had.
Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, nu vooralsnog niet is gebleken dat de executeur zijn bevoegdheden heeft overschreden. Voor een dergelijke conclusie hebben
De erfgenamen hebben te weinig gesteld. De erfgenamen hebben de lezing van de executeur die erop neerkomt dat het in Canada noodzakelijk en ook de normale gang van zaken is dat een aldaar gelegen onroerende zaak, in dit geval de boerderij, in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap op naam van de executeur wordt gezet, niet betwist.
Zonder nadere toelichting van de erfgenamen is niet begrijpelijk waarom de executeur gelet op de tenaamstelling niet betrokken zou mogen/kunnen zijn bij de verkoop van de boerderij.
Voorts blijkt uit de overgelegde stukken en de stellingen van partijen dat alle erfgenamen hebben besloten tot verkoop van de boerderij en dat pas later overeenstemming is bereikt tussen de erfgenamen over de condities van de verkoop van de boerderij en begin 2017 over de verkoopprijs. Er is derhalve geen sprake van dat de executeur eigenhandig tot verkoop heeft besloten of is overgegaan. De grief faalt.
De volgende grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de executeur de erfgenamen adequaat heeft geïnformeerd.
De erfgenamen hebben aangevoerd dat de executeur op grond van artikel 4:148 BW alle door een erfgenaam gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven.
De erfgenamen hebben specifiek gevraagd om kopieën van rekeningen/facturen/declaraties van door de executeur ingeschakelde derden, die ook volledig en deugdelijk zijn gespecificeerd. Voor zover de executeur echter kopieën heeft toegezonden, ontbreken de (uren)specificaties of maken deze onvoldoende inzichtelijk wat voor werkzaamheden zijn verricht en welk gedeelte van de declaratie bijvoorbeeld ziet op verschotten.
Naar het oordeel van het hof heeft de executeur onvoldoende gemotiveerd betwist dat de kopieën van de declaraties niet voorzien waren van deugdelijke specificaties die voldoende inzicht gaven in de verrichte werkzaamheden en andere kosten die de door de executeur ingeschakelde derden hebben gemaakt.
De executeur heeft weliswaar ter zitting erop gewezen dat hij heeft voorgesteld dat de erfgenamen met de notaris zouden spreken over (onder andere) de declaraties van de notaris, maar afgezien van het feit dat de executeur ook anderen heeft ingeschakeld van wie de declaraties toegelicht dienen te worden, zou een gesprek met de notaris extra kosten mee hebben gebracht, terwijl de erfgenamen deze wilden voorkomen.
Bovendien ligt het op de weg van de executeur om de gevraagde informatie te geven. In zoverre is de vordering van de erfgenamen in beginsel toewijsbaar.
Voor zover de erfgenamen van mening zijn dat de executeur ook op andere onderdelen nog informatie zou moeten verschaffen, hebben zij tegenover de stellingen van de executeur onvoldoende concreet gemaakt welke informatie zij op dit moment nog wensen te ontvangen of missen.
Daarbij overweegt het hof dat voor zover de erfgenamen menen tussentijds een rekening en verantwoording te kunnen verlangen, dit gelet op het bepaalde in artikel 4:151 BW niet juist is: een executeur is verplicht rekening en verantwoording af te leggen aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is, nadat zijn bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd. Daarvan is thans (nog) geen sprake, in ieder geval omdat de in Canada verschuldigde belasting nog niet is voldaan.
In de volgende grief stellen de erfgenamen aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken de executeur te ontslaan, aan de erfgenamen de mogelijkheid zou bieden om de executeur te doen instrueren omtrent het al dan niet verrichten van rechtshandelingen ten laste van de nalatenschap.
Volgens de erfgenamen is een verzoek tot ontslag bij de kantonrechter niet de enige remedie tegen een niet naar behoren functionerende executeur.
Daarnaast wijzen erfgenamen erop dat erfrechtzaken geen zogenoemde aardzaken zijn, zodat, tenzij de wet anders bepaalt, kwesties hierover bij de rechtbank aanhangig moeten worden gemaakt.
Naar het oordeel van het hof hebben de erfgenamen onvoldoende toegelicht waarom deze grief tot vernietiging van het bestreden vonnis zou moeten leiden. Ook hebben zij geen consequentie aan de grief verbonden. Reeds hierom faalt de grief.
Voor zover zij bedoelen dat alsnog hun vordering van de inleidende dagvaarding moet worden toegewezen, welke vordering inhoudt dat de executeur moet worden verboden namens de nalatenschap onomkeerbare (rechts)handelingen te verrichten behoudens daaraan voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van alle erfgenamen tot een dergelijke handeling, faalt de grief eveneens.
Een dergelijk gebod gaat eraan voorbij dat de executeur op grond van het bepaalde in artikel 4:145 BW beheersbevoegd is met uitsluiting van de erfgenamen, hetgeen meebrengt dat een executeur in het kader van de uitoefening van zijn taak (rechts)handelingen mag verrichten ook zonder dat de erfgenamen hun toestemming hebben gegeven. Uit de tekst van het testament volgt niet dat erflater deze bevoegdheid van de executeur heeft willen beperken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over de informatieplicht in het erfrecht of over het ontslag van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.