Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een bevel tot het opmaken van een boedelbeschrijving (artikel 672 Rv) en over het ambtshalve ontslag van de executeur (artikel 4:149 lid 2 BW).

Bevel tot boedelbeschrijving (artikel 672 Rv).

De rechter oordeelt als volgt.

Voor toewijzing van een verzoek ex 672 Rv dient de verzoeker slechts summierlijk aannemelijk te maken dat hij belang heeft bij zijn verzoek.

De kantonrechter volgt de executeur in zijn standpunt dat een notariële boedelbeschrijving meerwaarde heeft ten opzichte van een onderhandse boedelbeschrijving en dat de erfgenamen daarbij een rechtens te respecteren belang hebben.

Dat de weduwe heeft aangegeven haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van het vonnis in kort geding maakt dit niet anders.

Het verzoek zal daarom worden toegewezen, zoals hieronder nader bepaald, en notaris A zal worden aangewezen als notaris.

Gezien de aard van het verzoek dienen de proceskosten te worden gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Ambtshalve ontslag van de executeur (artikel 4:149 lid 2 BW).

De rechter oordeelt als volgt.

Ex lid 2 van artikel 4:149 behoort de weduwe niet tot de kring van personen die een verzoek tot ontslag van een executeur kunnen indienen.

De weduwe zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

Ter zitting heeft zij desgevraagd aangegeven dat haar tegenverzoek bedoeld is om de mogelijkheid van ambtshalve ontslag door de kantonrechter ter zitting aan de orde te stellen.

De kantonrechter is van oordeel dat er geen redenen zijn om over te gaan tot ambtshalve ontslag van de executeur.

Het verzoek van de weduwe daartoe acht de kantonrechter onnodig defamerend jegens de executeur.

De regeling van het ambtshalve ontslag ziet op bijzonder evidente situaties en daarvan is in onderhavige zaak geen sprake.

In tegendeel, de executeur heeft na zijn benoeming door de kantonrechter de afwikkeling van de nalatenschap voortvarend en consciëntieus ter hand genomen.

Dit blijkt onder meer uit de besprekingen die hij heeft gevoerd met de betrokkenen, de verslaglegging daarvan en de uitgebreide correspondentie.

Ook is het inherent aan de positie van de executeur dat hij standvastig dient te zijn en dat dit afhankelijk van de positie die een bij de afwikkeling van de nalatenschap belanghebbende inneemt (erfgenaam, legataris, schuldeiser, en/of schuldenaar) wisselend zal worden gewaardeerd.

Inmiddels duurt de afwikkeling van de nalatenschap al meer dan 2,5 jaar. Dat dit de weduwe zwaar valt, moge zo zijn, maar dit kan de huidige executeur geenszins worden aangerekend, doch heeft veeleer te maken met keuzes die de weduwe heeft gemaakt aangaande de afwikkeling van de nalatenschap.

Gelet op deze uitkomst behoeft het verzoek daarom bij gebrek aan belang geen bespreking.

De executeur heeft tot taak om een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap op te maken en de bij hem bekende schuldeisers op te roepen tot indiening van hun vorderingen.

In onderhavige nalatenschap is de executeur hiermee nog doende en daarmee is de weduwe bekend. Immers, het verzoek ex artikel 672 Rv dient nu juist om uitvoering te geven aan deze taak.

Verder is de executeur nog in afwachting van de uitvoering door de weduwe van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van 16 mei 2018.

Het verzoek doorkruist de systematiek van de wet ter zake van de afwikkeling van nalatenschappen.

Het is aan de weduwe om de door haar gestelde vorderingen op de nalatenschap bij de executeur in te dienen, waarna het aan de executeur is om deze vorderingen al dan niet te erkennen en vervolgens kan de dan geëigende procedurele gang worden gevolgd.

Het verzoek is op dit punt niet toewijsbaar.

Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op het gewezen executeurschap van de weduwe dient daarbij in aanmerking te worden genomen dat een executeur in zijn algemeenheid pas recht heeft op loon nadat hij zijn werkzaamheden heeft afgerond; dus rekening en verantwoording heeft afgelegd aan zijn opvolger en de administratie heeft overgedragen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Het verzoek om de executeur te veroordelen tot vergoeding van alle rechtsbijstandskosten van de weduwe vanaf 21 maart 2017 wordt afgewezen.

Niet alleen is onderhavige procedure niet de juiste rechtsingang voor deze vordering doch ook ontbeert deze vordering tot integrale proceskostenvergoeding iedere grondslag.

Het is de vrije keuze van de weduwe geweest om zich ter zake te laten bijstaan door een advocaat.

Dat zij hiertoe door de erven of de executeur is gedwongen, blijkt in het geheel niet.

In tegendeel, de weduwe heeft pas na inschakeling van haar gemachtigde, geantwoord op de eerste twee brieven van de executeur.

Daarbij heeft de gemachtigde aan de executeur laten weten: “Zoals u bekend sta ik cliënte juridisch bij. Alle verdere correspondentie mag dan ook aan mij worden gericht. Op aan cliënte persoonlijk gerichte correspondentie zal niet meer worden gereageerd.”.

Gelet op de uitkomst van de behandeling van de tegenverzoeken, zal de weduwe worden veroordeeld in de kosten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het opmaken van een boedelbeschrijving, over het ontslag van een executeur of over de vergoeding van proceskosten, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.