Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het incasseren van een vordering door de executeur, welke deel uitmaakt van een gemeenschap tussen deelgenoten (de nalatenschap). Karakter ingestelde vordering: pro se of namens de deelgenoten gezamenlijk (artikel 3:170, 184 en 185 BW). Niet voldaan aan vereiste dat voor gedaagde duidelijk moet zijn tegen wie (in welke hoedanigheid) hij zich dient te verweren.
In de grief richt appellante zich tegen de volgende rechtsoverweging van de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen: “Gelet op deze uitkomst, behoeft het formele verweer van de zoon, dat de moeder als executeur niet bevoegd was om in eigen naam tot inning van de leningen over te gaan, geen bespreking. Evenmin behoeft bespreking de toelaatbaarheid van de kennelijk door dit formele verweer ingegeven verandering van eis na vonnisbepaling, welke verandering namelijk geheel ziet op de hoedanigheid waarin de moeder de (af te wijzen) vordering heeft ingesteld.”.
In haar toelichting stelt appellante dat de rechtbank wel de bevoegdheid van appellante had dienen te beoordelen, nu de vordering van appellante opeisbaar is. Appellante is bevoegd tot incasso over te gaan.
Geïntimeerde is van mening dat appellante niet bevoegd is tot het incasseren van de vordering. Geïntimeerde verwijst naar voormelde akte van 24 februari 2016.
Executele. Incasseren van een vordering welke deel uitmaakt van een gemeenschap tussen deelgenoten. Karakter ingestelde vordering: pro se of namens de deelgenoten gezamenlijk?
Het hof overweegt als volgt.
Niet bestreden is de stelling van geïntimeerde dat de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van appellante en erflater nog niet is verdeeld.
Tot de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap behoren derhalve de vorderingen op geïntimeerde voor een bedrag van € 773.445,-. In deze huwelijksgemeenschap zijn gerechtigd appellante en de erfgenamen van erflater waaronder appellante en de kinderen van appellante en erflater.
Artikel 3:170 BW behelst als hoofdregel dat het beheer van een gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, in beginsel door de deelgenoten tezamen geschiedt.
Art 3:171, eerste volzin, BW bevat de regel dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
Deze regel ziet in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot.
Laatstgenoemde vorderingen en verzoeken dienen immers op de voet van de art 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken.
Een uitzondering op het overstaande is gerechtvaardigd indien een vordering of een verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich niet ervoor leent in de verdeling te worden betrokken ( Hoge Raad 8 september 2000 NJ 2000/604). In een dergelijk geval kan de vordering of het verzoek tegen de deelgenoot wel op de voet van art 3:171 BW worden ingesteld.
De in rechtsoverweging genoemde vordering op geïntimeerde maakt deel uit van een gemeenschap die tussen de deelgenoten dient te worden verdeeld.
Deze vordering dient op de voet van art 3:184 BW en 3:185 BW te worden ingesteld.
Naar het oordeel van het hof zijn er geen feiten en omstandigheden aanwezig die een beroep op art 3:171 BW rechtvaardigen (Hoge Raad 6 april 2018 Hoge Raad:2018:535).
Op basis van de uiterste wil van erflater is appellante executeur met betrekking tot de nalatenschap van erflater.
Titel 5 afdeling 6 van boek 4 BW heeft onmiddellijke werking indien de executeur het bezit is toegekend en geen andersluidende bepalingen in de uiterste wil zijn opgenomen.
Uit de uiterste wil van erflater volgt dat appellante in haar hoedanigheid van executeur gerechtigd is tot in bezitneming van de nalatenschap van erflater. Erflater heeft met betrekking tot de executeur geen andersluidende bepalingen opgenomen.
Op grond van artikel 4:145 BW heeft de executeur een privatieve bevoegdheid om de erfgenamen te vertegenwoordigen.
De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen in het onderhavige geval ook bij de afwikkeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tussen appellante en erflater.
Uit het exploot van de dagvaarding in eerste aanleg alsmede uit het petitum van de dagvaarding volgt dat appellante pro se de vordering tegen geïntimeerde heeft ingesteld.
Zij heeft gevorderd dat de geïntimeerde aan haar een bedrag van € 773.,445,- dient te betalen. Nadat de rechtbank de datum van het vonnis had bepaald wijzigt appellante haar eis alsmede wijzigt zij hangende de procedure haar hoedanigheid en wel in die zin dat zij in haar hoedanigheid van executeur ten behoeve van de nalatenschap van erflater een bedrag vordert van € 773.445,-
Uit het exploot van de dagvaarding in appel alsmede uit het petitum van de dagvaarding volgt echter dat appellante in appel opnieuw pro se de vordering heeft ingesteld. Uit het petitum zoals geformuleerd in de grieven volgt dat zij primair voor zichzelf betaling van geïntimeerde vordert en subsidiair vordert zij in haar hoedanigheid van executeur ten behoeve van de nalatenschap van erflater betaling van het bedrag van € 773.445,-.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad – HR 2 april 1993 NJ 1993,573, HR 22 oktober 2004 NJ 2006,202 – volgt dat in verband met de aard van het exploot van de dagvaarding en de belangen van de wederpartij strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van de eiser of appellant.
Voor de gedaagde partij is het van belang dat hij weet tegen wie hij zich dient te verweren en welke verweermiddelen hij die partij kan tegenwerpen.
Het enkele feit dat de inleidende dagvaarding in eerste aanleg vermeldt dat appellante executeur is in de nalatenschap van erflater betekent in het onderhavige geschil niet dat geïntimeerde heeft moeten begrijpen dat appellante tevens als executeur van de nalatenschap de vordering had ingesteld.
Evenmin kan uit de appeldagvaarding worden begrepen dat appellante niet pro se handelde maar ook in haar hoedanigheid van executeur.
Hangende een procedure kan appellante niet alsnog een andere hoedanigheid aannemen. Dit acht het hof in strijd met algemene beginselen van procesrecht.
Naar het oordeel van het hof had de rechtbank dienen in te gaan op het formele verweer van geïntimeerde met betrekking tot de bevoegdheid van appellante om betaling te vorderen van het bedrag van € 773.445,-, te meer daar de vordering behoort tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van appellante en erflater.
Nu appellante niet alleen gerechtigd is tot de vordering op geïntimeerde kan zij niet op eigen naam een bedrag van ruim € 773.445 incasseren terwijl de vordering aan alle deelgenoten toekomt.
Het staat appellante evenmin vrij om hangende de procedure, naast haar eigen identiteit, nog een andere identiteit aan te nemen namelijk die van executeur in de nalatenschap van erflater.
Het is de executeur die op basis van art 4:145 BW de erfgenamen in de onderhavige procedure privatief had dienen te vertegenwoordigen hetgeen in de onderhavige procedure niet is geschied, nu zulks niet volgt uit het exploot van de dagvaarding en een redelijke uitleg van het exploot dit gebrek evenmin kan opheffen.
De grief van appellante treft dus doel, hetgeen leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis waarbij appellante alsnog niet bevoegd wordt verklaard.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over procesbevoegdheid in het erfrecht of over het instellen van een vordering namens een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.