Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een vordering van een executeur tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige betalingen door een erfgenaam. Misbruik van omstandigheden?

In 2014 is A overleden. A heeft bij testament van 8 juli 2014 over haar nalatenschap beschikt. In dit testament heeft zij (naast een aantal legaten aan derden) haar neef en nicht tezamen en voor gelijke delen als haar erfgenamen aangewezen. Daarnaast heeft zij in dit testament eiser als executeur benoemd.

Executeur vordert schadevergoeding van erfgenaam. Onrechtmatige daad? Misbruik van omstandigheden?

De rechter oordeelt als volgt.

De executeur stelt dat de door of namens B verrichte betalingen aan gedaagde in 2012 en 2013 zijn verricht door middel van onrechtmatig handelen van gedaagde, dan wel misbruik van omstandigheden door gedaagde.

Art. 6:162 lid 2 BW bepaalt dat als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Volgens art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

De rechtbank overweegt dat het op zichzelf bezien weliswaar opmerkelijk is dat gedaagde in 2012 en 2013 betalingen van in totaal circa € 280.000,– zonder duidelijk aanwijsbare directe tegenprestatie van B heeft ontvangen, maar het is op zich voorstelbaar dat deze verrichte betalingen destijds daadwerkelijk zijn gewild door B.

Het enkele feit dat deze betalingen door gedaagde zijn ontvangen, is onvoldoende om reeds daarom een onrechtmatige daad of misbruik van omstandigheden aan te nemen.

Op de executeur rust als eisende partij de stelplicht zodat hij voldoende concrete feiten en omstandigheden dient te stellen die het beroep op een door gedaagde gepleegde onrechtmatige daad, dan wel misbruik van omstandigheden kunnen dragen.

In dat kader is van deze stelplicht van eiser is het volgende van belang.

In de eerste plaats is enkel relevant het handelen van gedaagde jegens B. De vorderingen zijn immers gebaseerd op onrechtmatig handelen en misbruik van omstandigheden van gedaagde jegens B, zodat de stellingen van de executeur niet relevant zijn voor zover deze zien op de (mogelijk in 2013/2014 verslechterde) verstandhouding tussen A en gedaagde.

Vast staat dat B – ondanks zijn steeds slechter wordende lichamelijke gezondheid in zijn laatste levensfase – tot aan zijn overlijden in april 2014 helder van geest en daarmee wilsbekwaam is geweest.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat vanwege gezondheidsproblemen van B en een langdurige ziekenhuisopname, zowel B als A een notariële volmacht hebben verstrekt aan gedaagde.

Uit de stellingen van de executeur blijkt op geen enkele wijze dat gedaagde hierbij druk op beiden heeft uitgeoefend, dan wel dat zij deze volmacht niet uit vrije wil hebben verleend.

De volmacht is verleend ten overstaan van een notaris, waarvoor geldt dat deze notaris op dat moment al de vaste notaris was van zowel B als A ten overstaan van wie zij al in 2007 hun testament hadden doen opmaken.

Hetzelfde geldt voor de op dezelfde dag door B en A gewijzigde testamenten. Ook hier geldt dat uit de stellingen van de executeur niet concreet blijkt dat gedaagde – in de visie van de executeur kennelijk in samenspanning met de betrokken notaris – druk heeft uitgeoefend op B (en/of A) waardoor dit testament niet uit vrije wil tot stand is gekomen.

Hierbij valt in aanmerking te nemen dat in het testament van 6 april 2011 weliswaar gedaagde als enig erfgenaam van B was aangewezen, maar hier staat tegenover dat B geen kinderen had, sinds 2003 tussen hem en gedaagde (zo blijkt ook wel uit de diverse overgelegde verklaringen) een innige vriendschap was ontstaan en A als echtgenote bepaald niet onverzorgd werd achtergelaten.

Verder is van belang dat B (en ook A) zelf heeft besloten in april/mei 2012 om zijn testament aan te passen – en zijn echtgenote als enig erfgenaam te benoemen – en de aan gedaagde verleende volmacht in te trekken.

Ook hieruit blijkt op zichzelf niet dat het daaraan voorafgaande handelen van gedaagde jegens B (in de visie van B en/of A) als onrechtmatig of misbruik van omstandigheden heeft te gelden.

In het door de executeur overgelegde concept-levenstestament van B – waarvoor overigens geldt dat tussen partijen in geschil is of dit van de hand van B is – wordt voor de daarin genoemde te overwegen beschermingsmaatregelen nergens direct gerefereerd aan enig handelen van gedaagde.

Eerst geruime tijd daarna heeft B (op 2 oktober 2013) de schenkingsakte ondertekend en (eerst bijna twee weken later) op 15 oktober 2013 heeft B zelf – de volmacht aan gedaagde was immers al circa anderhalf jaar daarvoor ingetrokken – een bedrag van € 125.000,– aan gedaagde overgemaakt onder vermelding van “Schenkingsovereenkomst 2 oktober 2013”.

Zoals gezegd werd B in zijn financiële zaken vanaf april 2012 werd bijgestaan door E, gedurende 2 à 3 uur eens per drie weken. In zoverre was dan ook geen sprake van afhankelijkheid van B van gedaagde, zoals eiser stelt.

Ook hier geldt dat uit de stellingen van de executeur niet concreet blijkt wat gedaagde voor onrechtmatige handelingen heeft verricht. Uit niets blijkt dat B, dan wel A die mening wel waren toegedaan.

Uit de eerdergenoemde brief van 10 oktober 2014 van de executeur blijkt dat A kort voor haar overlijden erkende dat B deze schenking had gedaan, maar niet dat dit gepaard is gegaan met enig onrechtmatig handelen of misbruik van omstandigheden van de zijde van gedaagde.

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken dat eerst na het overlijden van A namens haar erfgenamen het standpunt is ingenomen dat sprake is van onrechtmatig handelen van, dan wel misbruik van omstandigheden door gedaagde.

Deze stellingname is in de overgelegde verklaringen en buitengerechtelijke correspondentie evenmin met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat deze personen geen van allen direct betrokken waren bij de bedoelde rechtshandelingen in 2012 en 2013 en niets verklaren over enig concreet handelen van gedaagde jegens B.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de executeur. – op wie, zoals gezegd, in dit geding als eisende partij de stelplicht rust – onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die het beroep op een door gedaagde gepleegde onrechtmatige daad, dan wel misbruik van omstandigheden ter zake van de betalingen in 2012 en 2013 kunnen dragen. Aan bewijslevering komt de rechtbank bij deze stand van zaken niet toe.

Uit het voorgaande volgt dat voor zover de vorderingen van de executeur zijn gebaseerd op misbruik van omstandigheden door, dan wel onrechtmatig handelen van gedaagde, deze zullen worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening, afwikkeling en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over de uitleg van een testament of over het onttrekken van gelden of goederen uit de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.