Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de privatieve bevoegdheid van de executeur.
De zaak gaat over de vraag of de executeur bevoegd is om de woning van erflater te gelde te maken op grond van artikel 4:147 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of van de beslissing die de kantonrechter daarover heeft gegeven hoger beroep openstaat, en of verzoeker überhaupt bevoegd is om over de tegeldemaking te procederen.
Verzoeker heeft aan de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht om voor recht te verklaren dat de executeur zich voor de duur van negen maanden dient te onthouden van het verder te gelde maken van de tot de nalatenschap behorende woning van zijn overleden vader.
Bij beschikking van 22 juli 2024 heeft de kantonrechter dat verzoek afgewezen.
Verzoeker is het niet met de beslissing van de kantonrechter eens en wil dat zijn verzoek alsnog wordt toegewezen.
De executeur heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat tegen een beslissing op grond van artikel 4:147 lid 1 BW geen hogere voorziening openstaat en omdat hetgeen verzoeker uit de nalatenschap van zijn vader heeft verkregen onder testamentair beschermingsbewind is geplaatst.
Erfrecht. Erfgenaam verzoekt de rechter de executeur te verbieden de aan hem gelegateerde woning te verkopen. Te gelde maken van een gelegateerde woning. Testamentair beschermingsbewind. Is de erfgenaam onbevoegd om te procederen?
De rechter oordeelt als volgt.
In deze zaak speelt allereerst een tweetal ontvankelijkheidsvragen.
De eerste vraag is of verzoeker bevoegd is om zelf te procederen, nu ten laste van hem een testamentair beschermingsbewind is ingesteld.
De tweede vraag is hoe het verzoek van verzoeker dient te worden gekwalificeerd.
Als het verzoek van verzoeker (uitsluitend) als een verzoek in de zin van artikel 4:147 lid 2 BW gekwalificeerd dient te worden, is het de vraag of hij in zijn hoger beroep ontvankelijk is.
Artikel 676a sub d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt immers dat tegen een beslissing ingevolge artikel 4:147 lid 2 BW geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet open staat.
Het hof ziet aanleiding om te beginnen met de beoordeling van de eerste ontvankelijkheidsvraag.
Artikel 4:173 BW bepaalt dat de bewindvoerder de rechthebbende vertegenwoordigt in gedingen ter zake van onder bewind staande goederen.
Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is privatief.
Dat wil zeggen dat de onderbewindgestelde onbevoegd is om zelf met betrekking tot deze goederen te procederen (vgl. Hoge Raad 30 juni 2000, HR:2000:AA6341 en HR 7 maart 2014, HR:2014:525).
Vast staat dat al hetgeen verzoeker uit de nalatenschap van erflater heeft verkregen, en hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, door erflater onder bewind is gesteld.
Dat betekent dat zowel het aandeel van verzoeker in de woning als het legaat onder het bewind valt.
Hetzelfde geldt voor hetgeen op het legaat wordt geïnd.
Verzoeker is op grond van artikel 4:153 BW dus onbevoegd om over deze goederen te procederen.
Daaronder valt ook een procedure waarin wordt verzocht om de executeur te verbieden de woning aan een derde te verkopen.
Aan deze onbevoegdheid van verzoeker doet niet af dat de bewindvoerder zijn benoeming nog niet heeft aanvaard en/of niet op berichten van verzoeker en de executeur reageert, zoals verzoeker heeft betoogd.
Op grond van het testament van erflater is het bewind bij het overlijden van erflater in werking getreden.
Vanaf dat moment zijn de gevolgen van het bewind ingetreden en is verzoeker onbevoegd om over de onderbewindgestelde goederen te procederen.
Mocht de bewindvoerder zijn benoeming niet aanvaarden, dan kan verzoeker op grond van artikel 4:157 lid 1 BW aan de kantonrechter verzoeken een (andere) bewindvoerder te benoemen.
Daarbij kan op grond van artikel 4:157 lid 4 BW ook een tijdelijk bewindvoerder worden benoemd.
Het had derhalve op de weg van verzoeker gelegen om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de bewindvoerder zijn benoeming aanvaardt en, zo nee, om aan de kantonrechter te vragen een andere bewindvoerder te benoemen die vervolgens over de tegeldemaking van de woning kan procederen.
De conclusie van het voorgaande is dat de uitspraak van de kantonrechter zal worden vernietigd, en dat verzoeker in zijn verzoek alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Daarbij maakt het niet uit dat de kantonrechter verzoeker wel ontvankelijk heeft geacht, en de executeur zich in eerste aanleg nog niet op het standpunt had gesteld dat verzoeker onbevoegd is om te procederen.
Het hof dient de ontvankelijkheid van verzoeker immers ambtshalve te toetsen en de herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich mee dat de executeur zich ook voor het eerst in hoger beroep op het standpunt kan stellen dat verzoeker onbevoegd is om over de woning te procederen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.