Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de privatieve bevoegdheid van de executeur en de processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Gedaagden betogen dat eiser niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat eiser niet ook mr. A, de executeur, in hoger beroep heeft gedagvaard.

Mr. A is als executeur en afwikkelingsbewindvoerder privatief bevoegd voor zover het 1/20e deel van de woning betreft en had daarom in deze procedure moeten worden betrokken.

Erfrecht. Executele. Privatieve bevoegdheid van de executeur. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Verkoop van een woning. Verdeling. Oproeping van de executeur.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof overweegt dat bij arrest van 10 maart 2017 de Hoge Raad heeft beslist dat in geval van een vordering die een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding), de rechter de beslissing over die vordering slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel.

Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (HR:2017:411 en HR:2021:177).

Immers, ook in volgende instanties heeft ieder van partijen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen betrokkenen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv.

Naar het oordeel van het hof is in deze zaak sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

In deze zaak is immers verdeling van de woning gevraagd middels verkoop aan een derde (zie artikel 3:185 lid 2 sub c BW).

Bij een verdeling dienen alle deelgenoten te worden betrokken op straffe van nietigheid of vernietigbaarheid van de verdeling (artikel 3:195 lid 1 BW).

Het hof overweegt dat, gezien het feit dat mr. A de erfgenamen vertegenwoordigt voor wat betreft hun 1/20e aandeel in de woning, hij blijkens het testament van erflaatster zelfstandig (privatief) bevoegd is en ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest het afwikkelingsbewind van mr. A niet was geëindigd, ook hij moet deelnemen aan de verdeling van de woning, aangezien de vorderingen van gedaagden gevolgen hebben voor de verdeling van de nalatenschap.

Mr. A had dus ook in hoger beroep dienen te worden betrokken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.