De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Eiseres is van 1974 tot 1982 in gemeenschap van goederen getrouwd geweest met A.
A is op 4 maart 2017 overleden.
Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat A in 2008 zijn uiterste wil kenbaar heeft gemaakt en als erfgenamen heeft achtergelaten gedaagde voor één/honderdste onverdeeld aandeel en het kind voor het resterende gedeelte.
Deze erfgenamen hebben de nalatenschap van A beneficiair aanvaard.
Erfrecht. Procesrecht. Dagvaarding. Wettelijke vereffening. Verdeling. Processueel ondeelbare rechtsverhouding? Kinderen. Dienen de ex-echtgenoten opgeroepen te worden?
De rechter oordeelt als volgt.
Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is dat eiseres een verkeerde rechtsingang heeft gekozen.
Nu de nalatenschap van A beneficiair is aanvaard, en de vereffening nog niet is voltooid, had eiseres als schuldeiser een vereffeningsprocedure bij de kantonrechter moeten starten.
De rechtbank verwerpt dit standpunt.
Eiseres is geen schuldeiser, maar vordert als deelgenoot de verdeling van een onverdeelde gemeenschap.
De rechtbank is op grond van artikel 3:178 lid 1 BW bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
De vervolgvraag is of eiseres de juiste partij(en) heeft gedagvaard.
Eiseres heeft gedaagde gedagvaard, zonder daarbij specifiek aan te geven in welke hoedanigheid zij wordt aangesproken.
Nu de nalatenschap beneficiair is aanvaard, geldt in beginsel dat de erfgenamen gezamenlijk als vereffenaars bevoegd zijn om de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken (artikel 4:198 BW).
Een redelijke uitleg van de dagvaarding brengt met zich dat gedaagde behoorde te begrijpen dat zij was gedagvaard in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap.
Nu gedaagde als vereffenaar niet zelfstandig bevoegd is, had in ieder geval ook het kind in zijn hoedanigheid van vereffenaar moeten worden gedagvaard.
De rechtbank zal eiseres daarom in de gelegenheid stellen om het kind alsnog overeenkomstig artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op te roepen.
Volgens gedaagde moeten ook de andere ex-echtgenoten in deze procedure worden opgeroepen.
A is vóór 2018 in het huwelijk getreden met respectievelijk B, C en D.
Gedaagde heeft verder onweersproken gesteld dat met betrekking tot deze huwelijken in het huwelijksvermogensregister geen aantekening is gemaakt van huwelijkse voorwaarden.
Volgens gedaagde bestaan er verder geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat die huwelijkse gemeenschappen zijn verdeeld.
Indien de rechtbank zou aannemen dat de huwelijkse gemeenschap tussen eiseres en A nooit is verdeeld, geldt volgens gedaagde mogelijk hetzelfde voor de drie opeenvolgende huwelijkse gemeenschappen die door de latere huwelijken van A met de andere ex-echtgenoten zijn ontstaan.
Het onverdeelde aandeel van A in de eerste huwelijkse gemeenschap is dan ingebracht in de tweede huwelijkse gemeenschap, enzovoort.
Er kan daarom volgens gedaagde geen beslissing worden genomen over de verdeling van de woning zonder dat de andere ex-echtgenoten partij in de procedure zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, omdat de onderhavige zaak uitsluitend de rechtsverhouding tussen eiseres en de (erfgenamen van de) man betreft.
De andere ex-echtgenoten zijn niet bij die rechtsverhouding betrokken.
Het betreft een verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals die tussen eiseres en A heeft bestaan.
De verdelingsbeslissing in de onderhavige zaak zal de andere ex-echtgenoten dan ook niet binden.
Voor zover dat nog niet is gebeurd, zullen de ex-echtgenoten zelf met de erfgenamen van A tot een verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in hun onderlinge rechtsverhouding kunnen komen (zie in dezelfde zin: Gerechtshof Den Haag, 8 december 2020, GHDHA:2020:2720).
De conclusie is dus dat alleen het kind nog voor deze procedure dient te worden opgeroepen.
Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak wel alvast inhoudelijk besproken.
Op basis van hetgeen partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling hebben gesteld dringt de vraag zich op in hoeverre het wenselijk is dat partijen in deze procedure nog verdere kosten maken.
Partijen kunnen die vraag alleen maar voor zichzelf beantwoorden, maar de rechtbank wenst partijen in dit kader het volgende mee te geven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.